Humo: Na zijn euthanasieverzoek: de verrassende verrijzenis van Jean Pierre Van Rossem (73)

Voor het einde van het jaar zou ik toch willen kunnen zeggen: ‘Het is genoeg geweest,’’ heb ik Jean-Pierre Van Rossem horen zeggen, vroeg in het jaar 2017. ‘De afslag naar de dood is genomen.’ Met een euthanasieaanvraag zocht hij de exit. In de eerste herfstdagen zoek ik hem op, nieuwsgierig hoe het met hem is. Misschien kan er een afscheidswoord af? Zijn vermogen mensen te verrassen is alvast nog intact: ik tref een man vol plannen. ‘Voor de begrafenis ben je te vroeg.’

'Mensen klampen me geregeld aan op straat: 'Van Rossem, zijt ge nog niet dood?' Ik moet me bijna verontschuldigen dat het nog niet gebeurd is'

Door een deur die op een kier stond, ben ik een klein appartement op de negende verdieping binnengedrongen, met zicht op het uiteinde van België: de Oostendse pier. De gastheer is aan tafel blijven zitten, omdat hij zo moeilijk loopt. De aankleding is kaal, een goed deel van de ruimte is ingenomen door tegen elkaar aangeschoven schilderijen; op een ezel een onaf doek. Van Rossem komt moeizaam recht, de rondleiding begint meteen. ‘Pas op, de olieverf is nog niet droog. Dat duurt makkelijk drie weken. Het meest werk ik met acryl, dan kun je een vlek makkelijk van de vloer krabben.’

Lees verder via: http://www.humo.be/humo-archief/383891/na-zijn-euthanasieverzoek-de-verrassende-verrijzenis-van-jean-pierre-van-rossem-73

1

WAT EEN ONBEKWAAMHEID, HET ARMOEDEBELEID IN ONS LAND

Eén op zeven mensen in dit land leeft onder de Europese armoedegrens. Bij haar aantreden beloofde de regering het inkomen van het armste deel van de bevolking op te trekken tot minstens boven die grens. Het misprijzen van NVA voor het probleem blijkt alleen al in de keuze van diegenen die de partij aanstelde als staatssecretaris voor Armoedebestrijding. Omdat het een kutjob is viel de keuze aanvankelijk op Elke Sleurs, een gynaecologe. Die bakte er absoluut niets van zodat het dossier uiteindelijk terecht kwam op de tafel van Zuhal Demir, een juriste van opleiding. Maar armoede is geen probleem van bijvoegseladvocaatjes, wel van macro-economen en sociologen. Indien men de best geplaatste persoon voor de job had aangesteld dan had men niet naar de kleur van de partijkaart gekeken maar prompt Bea Cantillon voor de job aangesteld. 

Of de twee trutjes op Armoedebestrijding al iets bereikt hebben? Ja hoor, ze zijn erin geslaagd dat het kwart armste mensen in België het zwaarst belast is van alle EU landen. Aan de kust loopt het aantal kinderen dat in armoede leeft al op tot meer dan 25 procent, in Oostende zelfs tot 27 procent. Het is niet door klote minijobs aan te bieden dat men het probleem oplost. Het is ook een kwestie van betaalbare huren, van scholarisatiegraad, van gezinsstructuur, van kinderaantal, enzovoort. En wat doet truttavie Zuhal? Die komt op de buis in de Zevende Dag met een uitgestreken gezicht lullen dat het behalen van de Europese armoedegrens sowieso onhaalbaar zal zijn tegen het einde van de legislatuur. Een kakelende kip met zo weinig ambitie had al lang vakkundig afgeslacht moeten zijn. Heren en dames politici, waarop wachten jullie om die domme kip in de soep te draaien?

0

BUMA & PECHTOLD HEBBEN STIJL, MICHEL & JAMBON NIET

Gisteren 10 oktober 2017 viel de Nederlandse regeerverklaring samen met de State of the Union van premier Michel. Een geschikt moment voor een vergelijking. Daarbij loopt Nederland minstens twee generaties voorop op zijn zuiderbuur. Met een arrivist en mooiprater als premier Rutte aan boord werken de Nederlanders met een dichtgespijkerd regeerakkoord waarbij de modale burger op zijn minst weet waarheen de vier partijen gaan, inclusief de hypotheekaftrek. Ook al hebben ze de meest krap mogelijke meerderheid en ook al zit Groen Links niet mee aan boord, ze hebben – op zijn minst op papier – de meest groene regering sinds mensenheugenis. De budgetten zijn netjes afgelijnd en de burger weet waaraan hij zich kan verwachten. Aan bitter weinig als hij niet tot de middenklasse en de vriendjes van Rutte behoort. Maar Buma en Pechtold verkopen het wel helder en met stijl. Ze spreken op zijn minst met één mond.
Maar wat een verbale inflatie, wat een holle woordenkramerij in België. Daar stond premier Michel gisteren drie kwartier lang met de wierookpot voor zichzelf te zwaaien. Wat hadden hij en Jambon dat weer keurig gedaan: 150.000 jobs gecreëerd in drie jaar tijd, de burger prompt verrijkt met een dertiende maand, de veiligheid muurvast gemetseld en allerhande leugens erboven op. Als was het hun werk en geen gelukkig toeval van een tijdelijk aantrekkende wereldeconomie. Dat ze de begroting verder laten ontsporen, niets bereikt hebben in de strijd tegen de armoede, de gepensioneerden gewoon in de kou laten staab en dat hun "jobs-jobs-jobs" minijobs zijn van vijf voor één plaats, wordt daarbij handig verzwegen. En natuurlijk is het zonneklaar dat de kampioenen in de zelfprofilering (met Francken, Jambon en het Vlaemsch legioen aan nationalisten op kop) helemaal niets voorzien hebben tegen de nieuwe bankencrisis die op ons staat te wachten als we straks de money easing moeten loslaten. En dan durven die beroepsamateurs het hebben over "besturen, besturen, besturen". Ik wou dat ik minstens een Hollander was (maar dan wel met de Rode Duivels die voor Oranje speelden).

0

IK WAS EEN KLEIN JONGETJE VAN VIER

Mijn oudste herinneringen gaan terug tot 1949. Ik was toen een jongetje van vier – een jongetje dat voortdurend zat te tekenen. Het was in de vroege namiddag. Dat leid ik af uit het feit dat mijn vader – die over de middag thuis kwam eten – al terug op zijn werk was. Hoe mijn moeder – ik noemde ze "moeke" – hem op het kantoor in het station van Brugge wist te bereiken ben ik vergeten. Maar makkelijk zal dat niet geweest zijn, want wij hadden thuis geen telefoon. Wij woonden in de Arsenaalstraat, op wandelafstand van het station. Dat belette niet dat mijn vader nooit te voet naar zijn werk ging, maar altijd per fiets. Het was een zilverkeurige fiets met op de buis een kinderzitje met twee voetsteuntjes. Het zitje was bovenaan rood van kleur en had iets donzigs. Die dingen herinner ik mij nog steeds, in het geheel niet omdat iemand het mij later verteld zou hebben. Bovendien was de naad van het zitje langs één kant iets losgekomen want onder die naad puilde een plukje vulling – zeegras van kleur – naar buiten. De fiets van mijn vader ik zou hem nu nog altijd perfect kunnen tekenen, perfect kunnen schilderen.
Pa kwam hijgend binnen. Zijn fiets had hij, niet zoals hij anders altijd deed, in de smalle gang gezet. Hij liet hem in zijn grote haast tegen de muur op straat laten staan. Hij stelde twee vragen door elkaar: "Wat is er precies gebeurd, Germanio" en "Doet het veel pijn, ventje?".

Het was een donkerblauw potlood van Caran d'Ache, zojuist door moeke aangescherpt met een plastiek potloodscherper die deels doorschijnend was, want je kon er de bruine krullen van het scherpsel doorheen zien. Het was een nieuw potlood uit een blikken doos met op het deksel een kleurig bloemenveld. Het was een stom ongeluk. Net toen ik het donkerblauwe potlood wou vervangen door een ander, bleekblauw nu, zat ik met het potlood dat ik wou vervangen loodrecht onder het weke vlees achter mijn onderkin. En uitgerekend toen gebeurde het. Het verhoogde kinderstoeltje waarop ik zat schoof naar achter. Ikzelf viel met mijn kin eerst nog tegen de tafelwand, pas daarna op de grond. Bij het stoten tegen de tafel boorde het potlood zich dwars door het weke vlees onder de kin, diep genoeg opdat ik de punt van het potlood onder mijn tong kon voelen.

Pa heeft mij onmiddellijk op het kinderstoeltje van zijn fiets gezet en is met mij zo snel hij kon van de Arsenaalstraat langs het Minnenwater en de achterkant van het Begijnhof naar het Sint-Janshospitaal gefietst. Meer dan driehonderd meter kan het niet geweest zijn. Wel vroeg hij een paar keer of het veel pijn deed en stelde hij mij gerust dat de dokter het stoute potlood eruit zou trekken. Wat daarna gebeurde weet ik niet meer, alleen dat ik een crême van een vader had. Nog drie jaar lang, tot bonpapa het lievelingskonijn van mijn broertje en mezelf kwam slachten, want het moest in de pot voor mijn eerste communiefeest. Vanaf dan ben ik hem beginnen haten als de koele moordenaar van Kaduin. Vijftig jaar heb ik die haat volgehouden. En pas sinds twee jaar weet ik weer, na bemiddeling van mijn zus, dat ik al die tijd de liefste van alle papa's heb gehad. Vijftig jaar ben ik blind gebleven, soepkieken dat ik ben.

Als iemand mij later, als ik er niet meer ben, tegen heug en meug wil herinneren, laat het dan zijn als de kunstschilder die ik in wezen altijd wilde worden en die in de herfst van mijn leven zich met wolfsklauwen uit mij heeft bevrijd op weg naar hoogtes die velen zullen verbazen. Meer daarover kan men vanaf 17 oktober lezen in Humo, in een absoluut enig interview dat Mark Schaevers van mij afnam. Hij maakte er een kunstwerk van. Dus zeker lezen.

0