Boeken

OVER DE STRUCTUUR VAN HET BELGISCH TERREURNETWERK

Posted on 9 min read 102 views

(Ik heb mij behoorlijk geërgerd aan de VTM uitzending van gisterenavond op het programma FAROEK, een overname van het BBC programma dat talrijke kleine foutjes bevat: zo worden er geen 1500 wel 400 jihadi opgeleid om in Europa aanslagen te plegen; en België is zeker niet het Europese land dat per bevolking het hoogste aantal geestesgestoorden naar Irak en Syrië stuurde. Wij stuurden er 589, dat is 52,5 per miljoen inwoners. Daarmee staan we in Europa op de vierde plaats. In Europa tellen Kosovo met 122,1; Bosnië met 81,6 en Macedonië met 69,5 (relatief) meer jihadi. Ook is het onjuist dat Abdelhamid Abaaoud de spilfiguur van het Europees terreurnetwerk is, onjuist dat hij een opleidingsproduct is van Abu Muhammad al-Shimali en zijn EMNI. De opleiding zelf is toevertrouwd aan twee Tunesiërs. En niet Abaaoud maar wel Najim Lachraaoui, die zichzelf op Zaventem opblies, was de sleutelfiguur van het Belgisch netwerk.)

Daarom de volledige versie (allez, toch de inleiding) van de tekst van Denktank Daniel Huet, niet de ingedkorte versie. Hier komt die:
Het terreurnetwerk van Lachraaoui en Abaaoud of het brein en de uitvoerder

De Islamitische Staat (IS), is een grensoverschrijdende virtuele staat met een met een (dagelijks kleiner wordende) oppervlakte twee keer zo groot als Nederland. Die virtuele staat wordt door geen enkel land ter wereld erkend, maar heeft wel een minister van … Aanslagen, tevens persverantwoordelijke: sjeik Abu Mohammad al-Adnani al-Shami, de enige Syriër in een voor de rest door Irakese ex-militairen uit de presidentiële garde van wijlen Saddam Hussein geleide horde koele killers. Het bekende nieuwsagentschap Associated Press ontdekte bewijzen dat in Syrië minstens vierhonderd jihadstrijders door al-Adnani en zijn entourage worden opgeleid om in Europa aanslagen met zoveel mogelijk slachtoffers van terreuraanslagen te maken. Volgens een reportage van BBC (waarin menig foutjes zijn geslopen) zou het om 1.500 jihadi gaan. Daarvoor wordt de cel EMNI opgericht onder toezicht van Abu Muhammad al-Shimali (37), de krijgsnaam van Tarad Mohammad Aljarba. Binnen het kalifaat is hij aangesteld om de doorreis van jihadi via Turkije naar Syrië te vergemakkelijken. Julian Borger (2015) van de Britse krant The Guardian omschrijft EMNI als “Isis’s internal security unit, (…), which has the task of sending European jihadis back to their homelands to carry out terrorist attacks. The unit is run by two Tunisians.” De rol van de twee Tunesiërs beperkt zich ertoe dat zij diegenen die naar Europa vertrekken om er terreuraanslagen te plegen grondig moeten checken, incluis diegenen in Europa die bereid zijn aanslagen te plegen, maar nooit in Syrië zijn komen meestrijden. Eens aanvaard als kandidaat-aanslagplegers moeten concrete plannen worden voorgelegd aan al-Adnani die de uiteindelijke opdrachtgever van de aanslagen is. 


Binnen het kalifaat worden de taken verdeeld tussen al-Adnani en al-Shimali. De eerste leidt jihad strijders op om bommengordels en explosieven te vervaardigen; de tweede coördineert de trainingen op van diegenen die de aanslagen zullen plegen. De voorstelling dat Abdelhamid Abaaoud (28) de spilfiguur zou zijn geweest van de geplande aanslagen in België en Frankrijk is op zijn minst onvolledig. Ze gaat enkel op voor aanslagen waarbij uitsluitend kalasjnikovs worden gebruikt, bijvoorbeeld die op het Joods Museum in Brussel op 24 mei 2014 door Mehdi Nemmouche (29) uit Tourcoing; de op 15 januari in Verviers verijdelde aanslag op Brusselse politiekantoren door Khalid Ben Lardi (23) en Sofian Amghor (26) die bij een politieraid allebei worden doodgeschoten; de gevonden wapens en plannen van Sid Ahmed Ghlam (24) van Marokkaanse afkomst om in Frankrijk mensen in kerken dood te schieten met als voorproefje het in koelen bloede neerschieten in Parijs van een vrouw op zondag 19 april 2015; of de in extremis verijdelde aanslag op de Thalys trein van 21 augustus 2015 door Ayoub El Khazzani (25). Het is aannemelijk dat al die aanslagen gecoördineerd werden door Abaaoud. Maar dat gaat beslist niet op voor de aanslagen in Parijs op 13 november 2015 of voor de aanslagen in Brussel van 22 maart 2016 – aanslagen waarbij explosieven werden gebruikt. Abaaoud had er geen flauw benul van hoe explosieven moesten worden gemaakt. Zelf blufte hij ooit 25 kilo explosieven te hebben gevonden maar dat hij niet wist hoe die efficiënt te gebruiken.


Meer dan een gewetenloze uitvoerder, opgeleid binnen EMNI was Abaaoud niet. Om zijn plan te kunnen uitvoeren voor de aanslagen in Parijs had de van uit Sint-Jans-Molenbeek gestuurde terreur cel nood aan een specialist in explosieven, één van de in Syrië door al-Adnani: opgeleide specialisten. En dat was Najim Lachraaoui (25). Van die laatste, afkomstig uit Schaarbeek, is geweten dat hij ooit toegepaste wetenschappen aan de Brusselse ULB universiteit studeerde. Maar na het eerste jaar gaf hij er de brui aan om geneeskunde te gaan studeren. Ook daar kwam weinig van in huis omdat hij begin 2013, kort voor zijn 22ste verjaardag, plots geradicaliseerd, naar Syrië trok waar hij zich aansloot bij ISIS. Studenten die hem aan de ULB hebben gekend beschrijven hem als behoorlijk intelligent. Samen met zijn kompaan Abaaoud was hij allicht de enige van het netwerk wiens IQ meer dan het dubbele van zijn schoenmaat bedroeg. Samen met de Algerijn Mohammed Belkaïd (35) uit Vorst keerde hij in september 2015 uit Syrië terug en strandde in Boedapest waar Salah Abdeslam (27) het tweetal met een huurwagen kwam oppikken. Hij reisde met een vals paspoort op naam van Soufiane Kayal. Ondertussen waren speciale eenheden uit Frankrijk en België er achter gekomen dat Kayal in werkelijkheid Lachraaoui was. Dat konden ze opmaken uit het DNA dat werd teruggevonden op kleding en op de achtergelaten bommengordel van Salah Abdeslam in Parijs. Het was trouwens hetzelfde DNA dat werd teruggevonden in een huis dat de cel van Lachaaroui eerder had gehuurd in Auvelais en in een appartement in de rue Henri Berger in Schaarbeek. Beide locaties werden gehuurd door een ander lid van het terreurnetwerk, door Mohamed Bakkali. Auvelais, waar er vooral naar een droge kelder werd gevraagd, moest dienen als opslagplaats voor de kalasjnikovs (die Bakkali bezorgde) en voor de bommengordels die bij de aanslagen in Parijs werden gebruikt. In de rue Henri Berger maakte Lachraaoui één van de bommengordels voor Parijs. En even raden welke valse naam Bakkali gebruikte om beide panden te huren? Die van … Soufiane Kayal. Op 26 november 2015 wordt Bakkali aangehouden. De verhuurders herkennen hem meteen. Dus is het Lachraaoui die hem met valse papieren op pad heeft gestuurd – Lachraaoui, duidelijk de spilfiguur van de aanslagen in Parijs en niet Abaaoud die veeleer slechts de uitvoerder blijkt te zijn. 


Ook vonden Franse speurders dat de flat in Saint-Denis die de nicht van Abaaoud, Hasna Ait Boulacen, had gehuurd, als schuiloord voor onmiddellijk na de aanslagen in Parijs, betaald was geworden door …, Soufiane Kayal, die geld voor de huur op haar rekening stortte. Op maandag 21 maart 2016, daags voor de aanslagen op Zaventem en in de metro van Maalbeek, wisten de Belgische veiligheidsdiensten verdomd goed dat Lachraaoui in Brussel zou toeslaan. Alleen dachten ze toen nog dat het op Paasmaandag 28 maart zou gebeuren Inderdaad, op 21 maart meldden zowel Le Soir als Het Nieuwsblad op hun blog dat Najim Lachraaoui, alias Soufiane Kayal, dringend gezocht werd. Toen luidde het nog dat dit in opdracht van de Brusselse onderzoeksrechter geschiedde die hem verdacht van medeplichtigheid bij de aanslagen in Parijs. Er werd opeens, in opdracht van het parket, zelfs een foto van hem verspreid. Vreemd, want voorheen was de naam Lachraaoui nergens gevallen. Alles wijst er op dat parket en veiligheidsdiensten verdomd goed wisten dat de man ’s zou toeslaan, niet in Parijs, maar goed en wel in Brussel. Blijkbaar hadden ze in extremis een gouden tip gekregen. En ja hoor, op 22 maart – de dag na het gepubliceerde opsporingsbericht – blies Lachraaoui zichzelf samen met bendelid Ibrahim El Bakraoui (29) op in de ontvangsthal van de luchthaven van Zaventem. Broer Khalid El Bakraoui (26) deed hetzelfde een uur later in een metrostel bij het binnenrijden van de halte Maalbeek. Een derde valies vol explosieven, veel krachtiger dan de andere, werd in Zaventem achtergelaten door de man met het hoedje naar wie nog steeds werd gezocht. 


Het is minstens al sinds 21 maart met zekerheid geweten – nadat Salah Abdeslam gepraat heeft – dat de man met het hoedje Mohammed Abrini (31) is. Toen ik dit per 5 april op mijn drie Facebook pagina’s plaatste kreeg ik bezoek van twee mannen, opvallend in hun onopvallendheid, die weigerden zich kenbaar te maken en die mij sommeerden het onmiddellijk van Facebook te halen omdat dit het onderzoek in het gevaar bracht. Nu Abrini op 8 april in Anderlecht werd aangehouden begrijp ik onmiddellijk waarom dit bericht verwijderd diende te worden. De veilheidsdiensten wilden de hele wereld eerst nog eens tonen tot wat de federale politie in staat was, kwestie van het beschadigd blazoen van België eens mooi op te poetsen. En het mag gezegd de reconstructie van de weg die Abrini volgde van de luchthaven in Zaventem tot voorbij het Meiserplein aan de hand van publieke en private bewakingscamera’s was een staaltje van uitstekend speurwerk. Op 7 april hield het federaal parket dan ook een persconferentie waarbij in detail (aan de hand van verfilmde beelden) wordt gereconstrueerd welke Abrini te voet heeft gevolgd vanaf 7h58 ’s morgens op de luchthaven, dwars door het centrum van Zaventem, over het Meiserplein in Schaarbeek en de Leuvensesteenweg tot 9h50, toen is hij het laatst op beelden van bewakingscamera’s was te zien op het kruispunt van de Brabançonnelaan en de Notelaarstraat. Onderweg heeft hij zijn witte regenjas ergens weggegooid om zijn weg te vervolgen in een lichtblauw hemd met ellenbooglappen waarvan hij de mouwen had opgestroopt. Ook wistt men dat hij bruine schoenen droeg met witte zolen. Maar zou iets meer transparantie niet veel nuttiger zijn geweest dan het opvoeren van een grootse show? 


Abrini is dezelfde man die dagen voor de aanslagen in Parijs de later teruggevonden en bij de aanslagen gebruikte zwarte Renault Clio ter plaatse voerde. De bompaketten die in Brussel werden gebruikt – vijf in totaal, waarvan slechts drie pasten in de taxi die het drietal naar Zaventem voerde – werden door de expert in explosieven, die Lachraaoui was, vervaardigd op het vijfde verdiep van een flatgebouw aan de Max Roosstraat in Schaarbeek. Dat dit alles aan het licht kwam drie dagen nà de arrestatie op 18 maart 2016 van Salah Abdeslam (27) – niet meer dan een onbenullige meeloper in het terreurnetwerk van Abaaoud en Lachaaroui – is inderdaad geen toeval.

Abrini is dezelfde man die dagen voor de aanslagen in Parijs de later teruggevonden en bij de aanslagen gebruikte zwarte Renault Clio ter plaatse voerde. . De bompaketten die in Brussel werden gebruikt – vijf in totaal, waarvan slechts drie pasten in de taxi die het drietal Lachraaoui-Ibrahim El Bakraoui-Abrini naar Zaventem voerde – werden door de expert in explosieven, die Lachraaoui was, vervaardigd op het vijfde verdiep van een flatgebouw aan de Max Rooslaan in Schaarbeek. Dat dit alles aan het licht kwam nà de arrestatie op 18 maart 2016 van Salah Abdeslam – niet meer dan een onbenullige meeloper in het terreurnetwerk van Abaaoud en Lachaaroui – is wellicht geen toeval.


Het Belgisch terreurnetwerk bestaat dus uit twee cellen: (i) de Molenbeekse cel die haatprediker Khalid Zerkani (41) rekruteerde bij wat men onverschrokken het grootste krapuul van Molenbeek kan noemen, het uitschot waarover de rest van Molenbeek zich terecht schaamt,: daarbij gaat het om zware criminelen die alles behalve een godsvruchtig leven leidden, die hoerenlopers, drugsverslaafden, en alcoholiekers waren, die leefden van overvallen, diefstallen en het dealen van drugs, die vaak niet meer wisten waarin of waaruit en die als wanhopige légionaires naar Syrië vertrokken om er een nieuw leven te beginnen; en (ii) de Schaarbeekse cel rond de onbesproken Lachraaoui die zich na zijn terugkeer uit Syrie vanaf september 2015 omringde met nog zwaardere criminelen dan die welke Zerkani rondom zich had verzameld. Tussen beide cellen ontstond snel een soort symbiose omdat ze elkaar nodig hadden voor het grotere werk dat al-Shistani hen voor hun terugkeer naar Europa had opgedragen. Opdracht was zoveel mogelijk slachtoffers te maken onder de ongelovigen die volgens een bepaalde lectuur van de Koran moesten worden afgemaakt. Het is goed zich te realiseren dat Lachraaoui met zijn kompanen in de ontvangsthal van de luchthaven van Zaventem veel meer slachtoffers had kunnen maken dan er in Parijs vielen indien (i) de koffer met de zwaarste lading springstoffen was ontploft voor de specialisten van de ontmijningsdienst – de grootste helden op Zaventem – die onschadelijk konden maken, en (ii) indien de koffer van de taxi die de drie terroristen naar Zaventem bracht groot genoeg was geweest om vijf koffers met springladingen te vervoeren in plaats van drie.

Share

By

KRONIEK VAN EEN ONAANGEKONDIGDE MAAR VERWACHTE TERREUR

Posted on 2 min read 87 views

Vanaf het moment dat uitlekte dat de aangehouden Salah Abdeslam de goedkope spijtoptant wilde uithangen wisten de veiligheidsdiensten dat een nieuwe terreuraanslag op til stond. In Zaventem bliezen de broers Ibrbahim en Khalid El Bakraoui zich op. Een derde geestelijk gestoorde salafist in dienst van ISIS was te laf om zichzelf op te blazen en is op de loop. Wat de aanslag in de metro onder de Wetstraat betreft is het nog onduidelijk of die al dan niet om een zelfmoordterrorist ging, al lijkt mij dat waarschijnlijk. Uit de verklaring van de taxichauffeur die de broers El Bakraoui en hun compaan naar Zaventem vervoerde blijkt dat allicht twee andere stukken salafistisch ongedierte van plan waren in Zaventem toe te slaan. Het is dus niet onwaarschijnlijk dat nog vier gekken op vrije voeten zijn.


Wie graag nuttige achtergrondinformatie wil melde zich aan op mailadres politiek2@gmail.com. Zo heb ik de PDF tekst van mijn onuitgegeven boek over het kalifaat, dat ik van mijn computer verwijderde, terug op de kop kunnen tikken bij een vriend. Voorts is een erg verhelderende tekst (pp. 81-124) van mijn nieuwste boek over de vreemdeling en de tussengroepsangst binnen de week beschikbaar. Ik vond een tekst van Stephan & Stephan van 2000 die gebruikt kan worden om de graad van radicalisering te voorspellen. Econometrische toepassing van hun Integrated Threat Theory of Prejudices toont aan dat toenemend extremisme de polarisatie tussen autochtone bevolking en moslims versterkt waardoor die polarisatie stijgt en de kans op aanslagen door een piepkleine minderheid van salafistische geradicaliseerde moslims toeneemt. Laat mij weten of je geïnteresseerd bent in die achtergrondinformatie.

Share

By

UITTREKSEL UIT HOODSTUK 3 OVER DE POSTMODERNE ANGST VOOR DE VREEMDELING

Posted on 3 min read 123 views

(wie de volledige tekst wil meldde zich aan op mijn email adres "politiek2@gmail.com").

De toename van het aantal niet-westerse vreemdelingen – meer specifiek van de moslims onder hen – leidt in heel Europa tot de wijd verspreide perceptie dat het er veel meer zijn dan er in werkelijkheid zijn. Het onderzoeksbureau Ipsos Mori publiceert jaarlijks de zogenaamde Index of Ignorance. Daaruit blijkt dat mensen behoorlijk last hebben om een aantal fenomenen die typisch zijn voor de postmoderniteit correct in te schatten. Op de vraag hoeveel immigranten er in hun land zijn antwoorden Italianen dat het om 30 procent gaat, terwijl het er slechts 7 procent zijn. (Met “migranten” bedoelen de onderzoekers personen met een vreemde nationaliteit, niet de etnische afkomst.) De Amerikanen zitten er 19 procent naast: ze denken dat het om 32 procent gaat terwijl het er in werkelijkheid slechts 13 procent zijn. Van de ondervraagden uit 14 landen zitten de Belgen er als derde het verst naast. In België hadden op 1 januari 2015 1,26 miljoen of 11,20 procent van de bevolking een vreemde nationaliteit (dus niet verwarren met de etnische herkomst, want dan gaat het om 1,8 miljoen of 16 procent van de bevolking). De ondervraagde Belgen dachten dat het om 29 procent ging en zaten er dus bijna 18 procent naast. Australiërs en Zweden zaten het minst fout, maar toch ook met een overschatting van 7 procent. Op de vraag hoeveel procent moslims er in hun land zijn zaten de Belgen er het verst naast. Ze dachten dat het om 29 procent ging, terwijl het er in werkelijkheid net geen 5 procent zijn, een fout van 24 procent. De Fransen maakten een fout van 23 procent, de Britten en Italianen van 16 procent, de Amerikanen van 14 procent. Minst slecht scoorden de Polen met een overschatting van 5 procent en de Japanners met een overschatting van 4 procent. De onderzoekers concludeerden: “People (…) massively overestimate the proportion of Muslims.” Op de vraag hoeveel procent van de bevolking christelijk is was – behalve voor Zuid-Korea, Japan en Hongarije – de onderschatting algemeen. “In contrast to the Muslim question, majority-Christian countries tend to underestimate how many people count themselves as Christian.” Ook de vergrijzing van de bevolking, typisch voor de postmoderniteit, wordt verkeerd ingeschat en in de 14 landen kolossaal overschat: in Italië en Polen zelfs met 27 procent, met een minimale fout van 14 procent in Zweden.


Wat bij dat soort onderzoeken opvalt is dat de foute inschatting groter wordt naarmate de leeftijd van de ondervraagde hoger is. Op de vraag hoeveel kinderen op 100 buiten het huwelijk geboren worden onderschatten de 65-plussers het percentage voor België (54,4 procent) met liefst 40 procent, de Nederlandse senioren met 32 procent (47,7 procent in werkelijkheid). Bij jongeren van tussen de 15 en 25 jaar is de overschatting 7 procent in België, 5 procent in Nederland (eigen onderzoek). Dit wijst er op dat ouderen nog steeds geloven dat het huwelijk de hoeksteen is van de gezonde samenleving, terwijl jongeren – die in volle postmoderniteit geboren zijn – veel beter beseffen dat het huwelijk al lang niet meer de hoeksteen is van de gezonde samenleving. Kwantitatieve veranderingen in de maatschappelijke organisatie worden bestudeerd door de sociale dynamica. Mensen zien blijkbaar onvoldoende dat de samenleving grondig veranderd en hebben een maatschappijbeeld dat tijdens hun jeugd werd gevormd. De juiste perceptie van de samenleving waarin ze leven wordt des te foutiever naarmate ze ouder worden. Die verkeerde perceptie is bron van onzekerheid en angst. 


Bloed- en bodemidioten – stijl Pegida, Vlaams Belang, PVV, Front National, AfD (Alternative für Deutschland), PiS (Recht en Rechtvaardigheid in Polen) – zwengelen die angst aan door ze een voorwerp te geven: het verschil tussen angst en vrees is dat angst eigenlijk geen voorwerp heeft, dat het de angst voor het onbekende is, terwijl vrees altijd een voorwerp heeft (bijvoorbeeld pleinvrees, smetvrees, vliegvrees, enzovoort). Het voorwerp van de postmoderne angst voor de vreemdeling is de voorstelling dat die vreemdeling een bedreiging is voor de Volkssubstanz: de eigen volksaard zou bedreigd zijn. Zo circuleert op het internet sinds april 2013 onder de titel Die Deutsche Volkssubsstanzc stirbt aus! een videofilmpje met de flagrante leugens als “Im Jahr 2020 leben in Deutschland etwa soviel Austländer wie Deutsche! Etwa 2035 werden die Deutschen nur noch ein Drittel der Bevölkerung ausmachen!”

Share

By

DE TOEGENOMEN ANGST VOOR DE VREEMDELING

Posted on 2 min read 110 views

Vreemdelingen van niet-westerse herkomst zijn een typisch fenomeen van de postmoderniteit. Zo waren er in Nederland halverwege de jaren 1960 (golden sixties) minder dan 6000 vreemdelingen van Turkse of Marokkaanse afkomst. In België waren er 461 Marokkanen en 320 Turken. Bij aanvang van de postmoderniteit in 1970 waren er steeds nog maar 129.000 vreemdelingen van niet-westerse afkomst (toen vooral Surinamers) in Nederland. Eind 2015 waren dat er al 2.038.500 en tegen 2060 zullen dat er volgens het CBS 3.236.600 zijn. In België waren er in 1970 nog maar 82.888 niet-westerse vreemdelingen. In 2015 zijn dat er al 733.115. Tegen 2050 worden dat er 1.149.000. Ongeveer 70 procent van de niet-westerse vreemdelingen zijn in België moslim. In Nederland is dat slechts 50 procent. De niet-westerse vreemdeling in het straatbeeld is duidelijk een postmodern verschijnsel. Europa is veel te lang blijven geloven in de multiculturele samenleving en heeft vooral tijdens de petroleumcrisis van 1973-1990 de controle over het vreemdelingenbeleid verloren. De niet-westerse vreemdelingen hebben zich vooral in grote steden geconcentreerd. In Nederland zijn dat Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag. In België de Brusselse gemeenten, Antwerpen, Genk, Vilvoorde en Mechelen. In Sint-Joost-ten-Node is al 43,7 procent van de bevolking moslim, in Molenbeek 37,6 procent. Dit alles en veel meer kan je lezen in het derde hoofdstuk (pp. 81-123) van mijn boek over de postmoderniteit. Wie er de tekst van wil in PDF formaat gelieve 14.95 euro te storten op KBC rekening BE73 7340 3806 7960 – voor mij de enige manier om mijn onderzoek te bekostigen vermits ik er van de overheid geen cent subsidies voor krijg. Na ontvangst van de storting (met als referentie je email adres) wordt de volledige tekst je toegestuurd. Blijkbaar wil de overheid dat je er zo weinig mogelijk over weet, alsof onwetendheid een middel zijn tegen angst. Want je kan er niet om heen: de niet-westerse vreemdelingen – zeker de moslims onder hen – zogen voor angst maar in hoeverre is die gewettigd: lees om meer te weten.

Share

By

DIT IS HET VOORONTWERP VAN HET KAFT VAN MIJN ALLERLAATSTE BOEK

Posted on 2 min read 103 views

Het is van de hand van Jean Christophe Wallaert. Er moet duidelijk nog aan gesleuteld worden. Om het postmoderne hedonisme weer te geven heb je een vrouw nodig die op het strand naakt ligt te zonnebaden, desnoods met haar hand, waarin een trompetvormige joint, voor haar foef. Het blikje Coca Cola (Moderniteit) moet worden vervangen door een blikje Red Bull (Postmoderniteit). Op de tablet moeten een paar lijntjes coke liggen met een opgerold briefje van 5 euro om te snuiven (geen spuit, want dat is Moderniteit). 
Ik heb al drie van de tien hoofdstukken af en hoop er mee klaar te zijn tegen de lente van 2018.

Als het boek af is spring ik ’s nachts (als de dijk leeg is) uit het raam (negende verdieping) van mijn appartement in Oostende. Ik heb een heel bewogen en boeiend leven gehad waarvan ik nooit heb durven dromen. Ik heb mij laten rollen in het leven en heb daarbij alle levensenergie opgebruikt.

Uit het publieke leven heb ik mij al bijna 2 jaar teruggetrokken en ieder interview geweigerd. Omdat ik Otto Jan Ham een toffe pee vind met een schitterend gevoel voor humor (waarvoor Canvas te klein is) krijgt hij de (dubieuze) eer het laatste interview van mij af te nemen. Dat gebeurt op 9 maart a.s.

Ik ben het kotsbeu continu gekloot te worden door de gerechtelijke politie (ene Thierry Jacobs uit Asse die maandenlang mijn vuilbakken liep controleren, die twee oud-lieven van mij de duvel aandoet door bv. de auto van Nora zonder enige vorm van proces zomaar al een jaar in beslag te nemen als zou ik die voor haar met zwart geld hebben betaald) en door een stel rechters die aan acute vervolgingswaanzin gaan lijden van zodra ze de naam JPVR horen. Eén voorbeeld maar. Twee jaar geleden stond de auto van de partij (een stokoude Jaguar die we kochten tegen 1800 euro, en waarmee iedereen reed) ergens fout geparkeerd, met de achterste wielen op een zebrapad. Anderhalf jaar later kwam de wijkagent in Hoegaarden vragen wie er met de auto reed. Wist ik veel, ik in elk geval niet want ik zat in het buitenland. Om er snel van af te zijn stelde ik voor in het PV te zetten dat ikzelf de bestuurder was. Hij vond dat ik dat niet moest doen en noteerde naar waarheid dat ik het niet meer wist. En wat gebeurde er afgelopen vrijdag? Een politierechter gaf mij als partijleider 1200 euro boete omdat ik zogezegd geweigerd had het gerecht mee te delen wie de bestuurder was. En neen, ik ga niet in verzet tegen het vonnis. Dat ze hun vieze spelletjes voortaab alleen spelen.

Share

By

OVER DE INHOUD VAN MIJN BOEK OVER POSTMODERNITEIT

Posted on 6 min read 113 views

(wie het wil lezen naarmate het vordert melde zich aan op politiek2@gmail.com en kan zo helpen mijn onderzoek te financieren)

De grondstelling die ik in dit boek, na deductieve analyse, zal verdedigen is tweeledig. (1) Hoe groter de graad van postmoderniteit in een land hoe meer de burger er te verliezen heeft en hoe groter de onzekerheid er zal zijn. (2) Hoe groter de graad van postmoderniteit in een land hoe groter de te maken kosten zullen zijn voor het in stand houden van de veiligheid.

Alvorens met de studie te beginnen moet er wel worden stilgestaan bij een artificiële vorm van onzekerheid die de overwegend Franse postmoderne filosofie verspreidde tussen 1970 en 1995 als zou het vergaren van cognitieve kennis onmogelijk zijn geworden. Hoofdstuk 1 behandelt dus de vraag hoe zeker wetenschap nog is en in hoeverre ze bewust wordt vervalst.

Een andere vorm van onzekerheid is de vraag over het bestaan van God. Hoe meer postmodern een land is hoe meer de burgers ervan overtuigd zijn dat er helemaal geen God bestaat. Hoe achterlijker een land inzake postmoderniteit is hoe meer de burgers ervan overtuigd zijn dat God wel bestaat (bijvoorbeeld in de islamitische landen) en hoe meer er van ongelovigen geëist wordt dat ze in de God van de islam gaan geloven (ook al is de God van de salafisten een andere God dan die van de sjiieten en vermoorden moslims elkaar onderling omdat ze in de verkeerde God geloven). Hoofdstuk 2 analyseert de verschillende godsargumenten en gaat na in hoeverre er nog een plaats is voor God binnen de wetenschap.

In Hoofdstuk 3 tot en met Hoofdstuk 6 worden de voornaamste bronnen van onzekerheid uitgespit aan de hand van de meest pertinente vragen die de postmoderne mens zich stelt. Die mens is bang voor de toenemende groep van allochtonen binnen de eigen gemeenschap, a fortiori voor die met een andere culturele en religieuze achtergrond dan die van de autochtone bevolking. Daarbij wint islamfobie het van multiculturele openheid. Met de vluchtelingencrisis uit Syrië en Irak nemen vragen toe als “Zullen die indringers wel met hun poten van mijn vrouw en mijn dochter af blijven?”, “Zullen die profiteurs straks mijn job niet afpakken?”, “Komen ze morgen niet mijn huis leegplunderen?” Dit wordt behandeld in Hoofdstuk 3.

Al even pertinent zijn de vragen rond economie en werkzekerheid. “Verlies ik morgen mijn job niet waardoor ik mijn hypotheeklening niet verder kan aflossen?” “Vind ik ooit nog wel een job nu ik al boven de veertig ben en net afgedankt?” “Krijgen wij jongeren straks nog wel een behoorlijke job (of zijn wij gedoemd tot een kutbaantje in het secundaire arbeidscircuit?” “Wat gebeurt er met mijn zuur verdiende spaarcentjes als morgen ook mijn bank failliet gaat?” “Zal de overheid straks mijn pensioen nog kunnen betalen?” “Wat gebeurt er morgen met mijn job als computergestuurde robotten mijn taak overnemen?” Al die vragen worden behandeld in Hoofdstuk 4.

Nog pertinenter zijn de vragen rond de stabiliteit van het gezinsleven. Nu huwelijken steeds minder lang stand houden, nu een begrip als huwelijkstrouw achterhaald klinkt, nu de seksuele normen steeds meer vervagen, nu bouwen onbetaalbaar is geworden voor éénoudergezinnen, nu het huwelijk ouderwets lijkt, nu steeds meer kinderen buiten het huwelijk worden geboren zijn veel gestelde vragen “Is mijn vrouw er morgen nog als ik thuiskom van mijn werk?” “Is mijn man achter mijn rug niet aan het flirten met één of andere lellebel op zijn werk?” “Wat moet er met de kinderen gebeuren als mijn partner mij in de steek laat?” “Hoe moet het nu met ons huis nu ik in mijn eentje de hypotheek onmogelijk nog verder kan aflossen?” Dit soort vragen komt aan bod in Hoofdstuk 5.

Op lange termijn rijzen er ook steeds meer vragen over de toekomst van onze planeet die we straks zullen doorgeven aan onze kinderen en onze kleinkinderen. “Hoe zit dat nu met die uitstoot van broeikasgassen?” “Wat komt er straks terecht van heel die klimaatconferentie in Parijs nu het Amerikaanse Opperste Gerechtshof de plannen van president Obama on hold heeft gezet?” “Waarom lopen steeds meer woningen onder water? Overkomt het straks ook mij?” “Is die opwarming van de aarde dan echt zo’n groot probleem als er wordt beweerd?” “Waarom werkt het ingevoerde systeem van ter beurze verhandelbare emissierechten van geen kanten?” “Waarom winnen we niet veel meer hernieuwbare energie uit de wisseling van de getijden?” “Kraakt mijn huis morgen langs alle kanten als er ook hier naar schaliegas wordt geboord, en wie vergoedt mij de opgelopen schade?” De onzekerheid rond de hedendaagse ecologische problemen in de postmoderne wereld zijn het voorwerp van Hoofdstuk 6.

Na de bespreking van de bronnen van onzekerheid behandelen de drie laatste hoofdstukken de bronnen van onveiligheid. 
In Hoofdstuk 7 wordt stilgestaan bij de mogelijkheid tot oorlogsbeheersing in een wereld waar de global leader – de Verenigde Staten, producent van twee derden van alle wapens in de wereld en met een wapenarsenaal dat groter is dan dat van alle overige landen – al sinds 1950 de meest belligerente natie is. Daarbij wordt stilgestaan bij de rol van het fameuze militair-industrieel complex dat de Amerikaanse power elite (termen van de socioloog Charles Wright Mills) en de vaak virtuele macht van de Amerikaanse president. Ook wordt de werking en de efficiëntie van de Verenigde Naties in vraag gesteld. Meer dan zeventig jaar na de Tweede Wereldoorlog zwaaien de vijf overwinnaars (Verenigde Staten, Rusland, Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en China) er de plak en kunnen ze blijven zwaaien met vetorechten. En wat blijft er nog over van het VN Handvest nadat een trio oorlogsmisdadigers – John W. Bush, Dick Cheney en Donald Rumsfeld – zonder het geringste VN mandaat de compleet overbodige Tweede Golfoorlog zijn begonnen? Dringt het wel goed door tot de postmoderne mens dat de nagelaten puinhopen in Irak de ideale voedingsbodem waren voor het absolute kwaad in de wereld dat ISIS werd?

Hoofdstuk 8 buigt zich over de erg complexe problemen van het terrorisme en over de zeer verschillende verschijningsvormen daarvan. Het toont de complete zinloosheid aan van de zogenaamde War on Terror. Er wordt gezocht naar meer efficiënte manieren om terrorisme beheersbaar te maken en hoe die in de postmoderne wereld kunnen worden geïmplementeerd. Het behandelt ook het probleem van het staatsterrorisme en van de over reaction bij de bestrijding van terrorisme.

In Hoofdstuk 9 wordt het fenomeen “criminaliteit” grondig geanalyseerd. Er wordt gezocht naar een universele verklaring van criminaliteit. Als verklarende factoren worden de dalende informele sociale controle, de stijgende deprivatisering, de strafkans, de pakkans, de falende socialisering en acculturatie van allochtonen, de gemiddelde strafduur, gestegen werkloosheid, enzovoort, opgevoerd. Het hoofdstuk bevat inderdaad een compleet criminometrisch model, uitgebreid tot een sociometrisch model, met een vijftigtal vergelijkingen – model dat ik in 2007 voor Nederland ontwierp, gebaseerd op statistisch materiaal sinds 1950, en dat ondertussen een updating kende. Van elk van de verklarende factoren werd de elasticiteit gekwantificeerd. Het model kan gebruikt worden om zonder verhoging van veiligheidskosten het keuzevraagstuk op te lossen welke veranderingen in de instrumentele variabelen nodig zijn om de criminaliteit te minimaliseren. Het geeft ook een verklaring waarom een stijging in de graad van postmoderniteit tot een veel forsere stijging van de kosten voor veiligheid moet leiden. Ook geeft het duidelijk aan waarom een meer repressieve aanpak niet leidt tot een daling van de criminaliteit, maar tot meer recidive.


Omdat postmoderniteit een onderdeel van de sociale dynamica is en omdat politieke beslissingen vrijwel geen invloed hebben op de erg complexe sociale dynamica, is een strijd tegen de postmoderniteit, zoals overwegend conservatieve politieke groeperingen die menen te kunnen voeren, verspilde energie. Het demografische luik van de postmoderniteit, (weergegeven door de dalende gemiddelde gezinsgrootte, het dalend aantal huwelijken, het stijgend aantal echtscheidingen, het stijgend aantal buitenechtelijke geboorten en het stijgend aantal allochtonen van de tweede en de derde generatie) ontsnapt aan politieke controle. Zo heeft het verbod op echtscheiding de opgang van de postmoderniteit niet kunnen afremmen, noch in Italië waar echtscheiding tot 1970 verboden was, noch in Portugal (1975), noch in Spanje (1981), noch in Ierland (1995), noch in Malta (2011). De Filippijnen zijn met Vaticaanstad het enige land waar echtscheiding nog steeds verboden is. Jammer genoeg is het beschikbaar statistisch materiaal te beperkt om voor dat land na te gaan welke invloed het had op de graad van postmoderniteit. Maar ook de strijd tegen het gebruik van roesmiddelen faalt binnen de genotmaatschappij. Het blijft er dweilen met de kraan open. Conservatieve politici dienen zich te realiseren dat een terugkeer naar de “propere samenleving” van vroeger weinig meer is dan een natte masturbatiedroom. Je kan net zo goed decreteren dat stenen voortaan naar omhoog moeten vallen. Het wordt tijd dat politici de postmoderniteit als een gegeven gaan aanvaarden in plaats van het met lapmiddelen te willen bestrijden.

Share

By