Boeken

WERELDGESCHIEDENIS ANDERS BEKEKEN

Posted on 7 min read 70 views

(uit de inleiding van mijn nieuwste boek over Postmodernitneit; wie het wil lezen melde zich aan op politiek2@gmail.com en kan helpen mijn onderzoek te financieren)

2. Wereldgeschiedenis als een geschiedenis van de arbeidsverdeling
Zoals de hele geschiedenis is ook een onderdeel ervan – de historie van de dominerende samenlevingsvormen zoals ze bestudeerd worden door de sociale dynamica – geen chronologisch proces maar in werkelijkheid een diachronisch proces. Wie de geschiedenis bekijkt als een reeks kwalitatieve veranderingen in de arbeidsverdeling zal tot een zesvoudige indeling komen. De oudste arbeidsverdeling, die bijna een miljoen jaar is blijven bestaan, tot de ontdekking van het vuur, was de nomisch natuurlijke arbeidsverdeling. Met nomisch (een term uit de sociologie) wordt bedoeld een situatie waar de overgrote meerderheid van de mensen spontaan de heersende sociale en culturele normen als vanzelfsprekend aanvaardt. Het tegengestelde daarvan is anomisch, een situatie waar de meerderheid van de mensen de sociale en culturele normen niet langer als vanzelfsprekend aanvaardt, waar een bepaalde vorm van arbeidsverdeling afgedwongen wordt zodat er spanningen ontstaan en zodat er een gevoel van normloosheid heerst. Onder natuurlijke arbeidsverdeling wordt verstaan dat de arbeid er wordt verdeeld tussen beide geslachten, waarbij het product van de arbeid van de man – de buit bij de jacht – onzeker is en dat van de arbeid van de vrouw – het domesticeren van dieren en het waken over de voorraadschuren – zeker is. Die vorm van arbeidsverdeling, die soms oercommunisme wordt genoemd heeft bestaan van circa 1,8 miljoen jaar geleden tot 800.000 à 1 miljoen jaar geleden, en komt nergens ter wereld nog voor.


Met de ontdekking van het vuur wordt de natuurlijke arbeidsverdeling anomisch. Vuur zorgt niet enkel voor verwarming bij koud weer of voor verlichting in het donker maar kan ook gebruikt worden om metalen te smelten. Hierdoor wordt het product van de arbeid van de man plots niet langer onzeker en begint een periode waar matrilineaire familiestructuren worden vervangen door patrilineaire. De mens, die tot voorheen een kuddedier was geweest, ontdekt pas nu het woordje “ik”, al heeft hij zowat een miljoen jaar nodig gehad om tot die ontdekking te komen. Er ontstaat een nieuwe arbeidsverdeling waarbij de man misbruik maakt van zijn fysieke overwicht om de vrouw te domineren. De nieuwe arbeidsverdeling, een gevolg van de tegenstelling cru-cuit, is anomisch ten opzichte van de vrouw. Antropologen als Claude Lévi-Strauss, Margaret Mead en Bronislaw Malinowski ontdekten in de loop van de 20ste eeuw nog primitieve stammen die nog steeds leefden als de meerderheid van de mensen van 800.000 jaar geleden tot ongeveer 5.000 jaar geleden. Die nieuwe vorm van samenleving wordt soms het repressieve oercommunisme genoemd.


Al die tijd leefden mensen in kleine groepjes die het eigen grondgebied bewaakten. Botsen ze bij toeval op soortgenoten van andere stammen, dan werd daar weinig spel van gemaakt. De vreemdeling werd of verjaagd of doodgewoon de kop in geklopt en opgegeten (kannibalisme). Maar nu de mens steeds meer vertrouwd geraakte met het woordje “ik” bedachten de eerste stamhoofden een heel andere behandeling. In plaats van de vreemdeling op te eten zette men hem gevangen, werd hij eigendom van de stam en liet men hem taken uitvoeren. Hierdoor werd het plots lonend andere stammen op te zoeken en die te verslaan. De mens ontdekte iets geheel nieuw: oorlog. De nieuwe arbeidsverdeling was niet langer de natuurlijke, gesteund op het verschil tussen mannen en vrouwen, het werd een anomisch sociale arbeidsverdeling waarbij het collectieve bewustzijn – het belang van de groep, van de stam – ondergeschikt werd aan het individuele bewustzijn van het stamhoofd. Zo ontstond de slavenhoudersmaatschappij. Volgens de chronologische geschiedschrijving heeft die vorm van arbeidsverdeling bestaan van ca. 3.500 BC tot de Val van het West-Romeinse Rijk in 476. Maar wie met de structuralisten de geschiedschrijving diachronisch benadert zal vaststellen dat de slavernij veel langer is blijven bestaan. Tijdens de 17de eeuw, al vanaf 1637 (de Gouden Eeuw ten tijde van de Republiek) ontwikkelde zich een Trans-Atlantische driehoekshandel waarbij vooral specerijen in Afrika werden geruild voor negerslaven die dan in de Nieuwe Wereld tegen grof geld werden verkocht. Het heeft nog tot 1808 geduurd alvorens die lucratieve Nederlandse slavenhandel werd afgeschaft. In de Verenigde Staten werd de slavernij pas afgeschaft na de Amerikaanse burgeroorlog van 1861 tot 1865. Ook in Rusland bleef de slavernij bestaan tot in de 19de eeuw tot tsaar Alexander II ze in 1861 afschafte. De koloniale slavernij duurde zelfs voort tot het begin van de 20ste eeuw. En ondanks alle internationale verdragen bleef slavernij in bepaalde delen van de wereld tot op vandaag bestaan. Volgens de Walk Free Foundation die jaarlijks de Global Slavery Index publiceert leefden in 2015 nog 29,8 miljoen mensen in slavernij. In India gaat het om 13,9 miljoen mensen die meestal slachtoffer zijn van schuldslavernij. In Mauretanië leeft 4 procent van de bevolking tot vandaag in slavernij. De virtuele Islamitische Staat heeft ondanks alle voorschriften van de Koran de seksslavernij hoog op de agenda gezet, enzovoort.


In West-Europa ontstond tijdens de Middeleeuwen de nomisch sociale arbeidsverdeling waar horigen en laten corvee moesten doen binnen een feodale maatschappij die minstens stand heeft gehouden tot de eerste Industriële Omwenteling rond 1775. Brainwashing door de Kerk en landeigenaren zorgde ervoor dat de nieuwe arbeidsverdeling waarbij arbeid niet geldelijk werd vergoed, wel in natura, ook bij de verschillende gilden, min of meer als spontaan en natuurlijk werd aanvaard. Ook deze vorm van arbeidsverdeling is in sommige delen van de wereld tot op vandaag blijven bestaan.


Met de eerste Industriële Omwenteling ontstond de anomisch technische arbeidsverdeling waarbij arbeid wel geldelijk werd vergoed, zij het aanvankelijk tegen een hongerloon. Productieprocessen waren behoorlijk ingewikkeld geworden en vergden in toenemende mate technische specialisatie. Ondernemers die er, onder voorwaarden van volkomen concurrentie, in slaagden een zelfde hoeveelheid te produceren met een geringere inzet van menselijke energie dan hun concurrenten konden een meerwaarde realiseren die op de markt getransformeerd werd in winst die enkel de eigenaars van productiemiddelen – de kapitalisten dus – te beurt viel. De kapitalistische maatschappij verving de feodale. De volkomen concurrentie hield in de meest geïndustrialiseerde landen als dominerende marktvorm stand tot het einde van de 19de eeuw. Ze werd vervangen door een oligopolie- en monopoliekapitalisme waarbij ruilwaren konden worden verkocht boven hun ruilwaarde, zodat de meerwaardevorming er fors opliep. De kapitalistische arbeidsverdeling ging vaak gepaard met sociale conflicten en was een gedwongen arbeidsverdeling van de anomische soort. Onder de anomisch technische arbeidsverdeling ontstonden drie samenlevingsvormen. De eerste was de traditionele samenleving waar het huwelijk inderdaad nog de hoeksteen van de gezonde maatschappij was en duurde in Amerika van 1780 tot de Roaring Twenties. In Europa begint de Moderniteit pas dertig jaar later, rond 1950. Ze houdt er stand tot ongeveer 1980 als de Postmoderniteit begint door te breken. Die verspreidt zich daarna ongelijk in de westerse wereld. De graad van postmoderniteit laat zich meten aan de hand van minstens acht verklarende factoren, zoals blijkt uit Tabel 1 en Tabel 2.
 

De verschillen tussen de bestudeerde landen zijn groot. In vijf landen ligt de graad van postmoderniteit boven de 80 procent, in de vier Scandinavische landen plus Nederland. In zes andere landen ligt die graad van postmoderniteit boven de 70 procent: in Luxemburg, Frankrijk, België,IJsland, het Verenigd Koninkrijk en België. In vier bestudeerde Europese landen ligt de graad van postmoderniteit onder de 20 procent. In Griekenland, Kroatië, Roemenië en Turkije. Daar is de postmoderniteit nog niet doorgebroken. Het meest achtergebleven land is ongetwijfeld Turkije (waar zelfs de moderniteit nog niet ten volle is doorgebroken). De aanzienlijke verschillen tussen de verschillende Europese landen zijn een duidelijke aanwijzing dat de sociale processen, als bestudeerd door de sociale dynamica, diachronische processen zijn. Analoge berekeningen werden doorgevoerd voor de Verenigde Staten, Canada, Mexico, Cuba, Rusland, China, Zuid-Korea, Japan en Australië. Daar werd volgende graad van postmoderniteit gevonden:
● Canada 76,1 procent ● Zuid-Korea 61,3 procent ● China 28,7 procent
● Verenigde Staten 72,9 procent ● Australië 57,6 procent ● Mexico 11,1 procent
● Japan 67,5 procent ● Rusland 38,5 procent ● Cuba 9,8 procent

Postmoderniteit is voorlopig de meest recente samenlevingsvorm die zich ten tijde van de anomische technische arbeidsverdeling heeft gemanifesteerd. Ze is de opvolger van de moderniteit die zelf de opvolger van de traditionele samenleving was. Postmoderniteit mag niet worden verward met postmodernisme dat een periodecode in de kunst was, ook een (trieste) manier van filosofisch denken dat zich vooral heeft verspreid tussen 1970 en 1995 in Frankrijk – een idiote manier van denken die voorhield dat in de wetenschap algemene theorieën niet langer mogelijk zijn en dat er in een gedicht meer cognitieve waarheid verscholen zit dan in het complete Standard Model van de Fysica. De postmoderne filosofie is, met enige recul bekeken, een staaltje van hoogdravende nonsens geweest, ware het alleen nog maar omdat ze ontkende dat in de menswetenschap algemene theorieën onmogelijk zijn, als had het baanbrekend werk van Jürgen Habermas en Niklas Luhmann geen cognitieve betekenis.

Onder invloed van het marxisme ontstond in de wereldgeschiedenis ook nog een zesde vorm van arbeidsdeling, de nomisch technische arbeidsverdeling. Die werd voor het eerst in de Sovjet-Unie ingevoerd in 1917 en verdween er met de Val van de Muur in 1989. De werkende bevolking werd er wijsgemaakt dat het een vorm van nomische arbeidsverdeling was die spontaan was ontstaan en niet door de overheid werd afgedwongen. Maar in werkelijkheid ging het niet om communisme, wel integendeel om staatskapitalisme. Op papier heerst er nog steeds communisme in de Volksrepubliek China, maar dat komt dan enkel maar omdat papier er zeer gewillig is (geen wonder, want het papier werd juist in China uitgevonden). Harde vormen van communisme zijn na de Val van de Muur nog een korte tijd blijven voortbestaan in Cuba en in Albanië, maar zijn ondertussen ook daar verdwenen. Enkel in het totaal geïsoleerde Noord-Korea is de nomisch technische arbeidsverdeling tot op vandaag blijven voortbestaan. Tot een afsterven van de staat, zoals Marx voorspelde, heeft het zeker niet geleid, wel tot een verpletterend staatsapparaat gecontroleerd door de gewetenloze machtsclique rond de vereerde Leider.

Share

By

WAAROM DE KLOOF TUSSEN JONG EN OUD DIEPER WORDT

Posted on 5 min read 71 views

(dit zijn de twee eerste bladzijden uit mijn nieuwe boek over postmoderniteit)

Mensen en maatschappijen veranderen. Waar mensen ouder worden, minder mobiel worden om uiteindelijk te sterven, sterven samenlevingen niet. Zo kunnen maatschappijen na een “verouderingsproces” plots ingrijpende transformatieprocessen meemaken en kwalitatief helemaal anders worden. Soms duurt zo’n verandering een eeuw of nog langer. Andere keren speelt die verandering zich af in één generatie tijd. Postmoderniteit is een vorm van samenleving die zich na 1980 – zij het in ongelijke mate – heeft verspreid over de postindustriële westerse wereld. Postmoderniteit wordt gekenmerkt door een kwalitatieve verandering in de opvoeding van de kinderen. Het huwelijk is er niet langer de hoeksteen van de gezonde samenleving. Het aantal huwelijken is er gedaald, het aantal echtscheidingen fors gestegen. Steeds meer kinderen worden er buiten het huwelijk geboren. In Nederland bedroeg het percentage buitenechtelijke geboorten in 1970 amper 2,1 procent. In 2013 was dat al opgelopen tot 47,4 procent. In België steeg het percentage van 2,8 naar 54,5 procent. In IJsland waren in 2014 liefst 68,8 procent van de pasgeborenen het resultaat van een buitenechtelijke relatie. Ondertussen is de gemiddelde gezinsgrootte gedaald van meer dan 4 personen tijdens de moderniteit naar de helft: 2,4 personen in België, 2,3 in Nederland, 2 in Duitsland, Zweden en Noorwegen. Het aantal alleenstaande ouders is spectaculair gestegen. Dit gaat gepaard met een drastische verlaging van de informele sociale controle – daling die gecompenseerd moet worden door voortdurend meer formele sociale controle door politie en gerecht. Maar ook de scherpe daling van kerksheid en kerkelijkheid in de overwegend christelijke landen en het feit dat onderwijs steeds meer op vorming is gericht en steeds minder op opvoeding verminderen de informele sociale controle. 


De postmoderne samenleving is de genotsmaatschappij bij uitstek. Het gebruik van cannabis, van XTC, van cocaïne en van andere roesmiddelen, vooral bij jongeren onder de 35 jaar, is er fors gestegen. Een groot deel van de vrije tijd wordt verbruikt aan gaming (video- en computerspellen). Vakantiedagen zijn goed voor plezierreisjes en city trips voor diegenen die het zich kunnen veroorloven. Postmoderniteit gaat gepaard met een (vals) gevoel van gestegen vrijheid. De nieuwe informatietechnologie, gekenmerkt door een explosie van het gebruik van huiscomputers en van internet leidt tot een geheel nieuwe informatiestromen en een betere kennis (in de zin van meer transparante kennis) van de leefwereld. Hierdoor dalen omkoping, vriendjespolitiek, kleptocratie, electorale fraude en plutocratie; van corruptie in het algemeen. Een ander positief effect is dat ondanks langdurige economische crises postmoderniteit gepaard gaat met gestegen welvaart.


De wetenschap die de veranderingen in de samenleving bestudeert is de sociale dynamica, een onderdeel van de sociologie. Politieke partijen . koesteren de illusie dat de sociale dynamica controleerbaar en beheersbaar is. Een illusie, ja. De digitalisering van de informatiestromen maakt dat in de postmoderniteit opvallend meer informatie over de complexe leefwereld wordt verspreid dan voorheen. Nu steeds meer natiestaten gedeeltelijk opgaan in een geglobaliseerde wereld is het vergaren van informatie over internationale instituties, naast het vergaren van informatie over de eigen natiestaat belangrijk geworden. Alle subsystemen van het meest globale systeem – de wereldsamenleving – selecteren uit die twee grote informatiestromen – de internationale en de nationale – wat zij met betrekking tot het in standhouden van de subsystemen het meest zinvol is. 


Uit die overdaad aan informatie weerhoudt de socioloog dat de familie niet langer een stabiele eenheid is. De omvang van de familie neemt bestendig af. Van het traditionele gezin van weleer, dat buiten de grote steden tijdens de moderniteit nog overeind bleef, is in de postmoderniteit met zijn vlotte echtscheidingen zijn steeds korter wordende huwelijken en zijn kinderkribben nog weinig heel gebleven. Wat van de familie nog overeind blijft is gereduceerd tot het nucleaire gezin – een gezin dat steeds minder leden telt en dat steeds korter standhoudt. In België en Nederland houdt een doorsnee huwelijk nog amper acht jaar st and. Veel kinderen worden opgevoed in meer dan één gezin en krijgen er niet zelden tegenstrijdige waarden en normen mee waardoor ze hun neus gaan optrekken voor regelgeving. Ook worden meer kinderen buiten het huwelijk geboren. In Europa gaat het al om een gemiddelde van 40 procent – cijfer dat blijft stijgen. Het hele vroegere socialiseringssysteem van jonge kinderen is grondig veranderend. Omdat de nieuwe samenlevingsvorm, die de postmoderniteit is, zich het best laat voelen bij opgroeiende kinderen, die die postmoderniteit met de moedermelk opgediend krijgen, kon en kan ze zich zo snel verspreiden. De kloof tussen jong en oud wordt hierdoor groter, waardoor generaties in verschillende werelden gaan leven.


Nog erger raakt het systeem van socialisering in de knoei bij allochtonen van de tweede en zeker de derde generatie die zichzelf graag in de slachtofferrol wurmen: ze voelen zich geviseerd door het toenemend racisme van de autochtonen. Hun schoolprestaties hinken achterop op die van autochtone kinderen. Al op jonge leeftijd vinden ze dat voor hen slechts een tweederangs toekomst is weggelegd, dat ze in het beste geval slechts tweederangsburgers zijn. Opgevoed in de traditie van de islam moet het niet verwonderen dat een deel van hen gaat radicaliseren en de salafistische toer op gaat. Hun maatschappelijke integratie neemt af. Voorts zijn er al diegenen die in de postmoderne verzorgingsstaat naast de welvaartboot vallen zodat de sociale deprivatisering niet echt vermindert. Uit deze grondige maatschappelijke verande¬ringen, gekenmerkt door dalende informele controle, door gebrekkige maatschap¬pelijke integratie en door toenemende sociale deprivatisering laat zich een model afleiden dat verklaart waarom criminaliteit en (vaak zinloos) geweld toenemen tijdens de twee eerste decennia van de postmoderniteit om daarna te worden gestabiliseerd of gereduceerd dankzij én een hogere pakkans en een hogere strafkans. Hoe hoger de graad van postmoderniteit in een land, hoe groter de financiële inspanningen zullen zijn om er de veiligheid te waarborgen. Hoe hoger ook de graad van postmoderniteit, gepaard gaand met een sterk gestegen welvaart, hoe meer burgers er te verliezen hebben en hoe groter de onzekerheid over de toekomst er wordt.


Cultuurfilosofen selecteren als zinvolle communicatie dat de gewijzigde socialisering van de jongeren de opvoeding van de jongeren in de war stuurt. Zij stellen vast dat zich tijdens de postmoderniteit een verschuiving voordeed in het consumptiepatroon. Consumenten streven niet langer het “nieuwe” na, als ten tijde van de moderniteit, maar het genot. Het onmiddellijk beleven van genot stuurt de consumenten. De postmoderniteit is het hedonisme als hoogste stadium. Seksuele taboes worden over¬boord gegooid. Seksuele vrijheid wordt de best gekoesterde vrijheid. De postmoderne mens verliest zijn schaamte. Jong zijn en er jong blijven uitzien zijn in de postmoderne samenleving zeer belangrijk geworden. Waar jongeren tijdens de moderniteit nog opkeken naar de ouderen, gaan de ouderen opeens de jongeren imiteren. Dat gaat gepaard met de teloorgang van het gezag van leraren op school. De postmoderne samenleving is antiautoritair.

Share

By

HOE GROTER DE GRAAD VAN POSTMODERNITEIT HOE GROTER ONZEKERHEID EN HOE MEER VEILIGHEID KOST

Posted on 2 min read 62 views

Postmoderniteit is een levenswijze die zich minstens sedert 1980 heeft verspreid over de postindustriële westerse samenleving in Europa, Noord-Amerika, Japan en Australië. Ze wordt gekenmerkt door gezinnen die steeds kleiner worden, door een sterk stijgend aantal echtscheidingen en minder huwelijken, door steeds meer buitenechtelijke geboortes (vb: 2,8 % in België in 1970, nu 54,5 %; 2.1 % versus 47, 4 % in Nederland, nu al 68,8 % in IJsland), door een razendsnelle stijging van computer- en internet gebruik, door een forse stijging in het druggebruik, door steeds meer tijdsbesteding aan gaming, door een vals gevoel van toenemende vrijheid, door een stijging van de welvaart, enzovoort.


Daarover zit ik nu mijn magnum opus te schrijven tegen een tempo van 1 hoofdstuk per maand. De twee eerste hoofdstukken zijn reeds af, de inleiding is bijna af. Ten einde mijn onderzoek te financieren verkoop ik de tekst van wat al af is in PDF formaat. Wie de twee eerste hoofdstukken en de inleiding nu al wil lezen kan dit mailen naar politiek2@gmail.com en krijgt na storting van 24,95 euro op KBC rekening BE73 7340 3806 7960 de 80 eerste bladzijden A4 formaat in PDF versie toegestuurd.


De graad van postmoderniteit van een land kan worden uitgedrukt in een cijfer tussen 0 en 100. Ik berekende ze voor de 28 lidstaten van de EU plus Noorwegen, Zwitserland, IJsland en Turkije. De resultaten kan men afleiden uit bijgevoegde kaart. Ze is het hoogst in de vier Scandinavische landen en Nederland die allen boven de 80 % scoren (82,8 % voor Zweden, 82,5 % voor Nederland, 82,0 % voor Denemarken, 81,9 % voor Noorwegen en 80,5 % voor Finland. Dan volgen Luxemburg (74,2 %), Frankrijk (73,6 %), België (72,1 %), IJsland (71,6 %), Verenigd Koninkrijk (70,9 %) en Duitsland (70,6 %).Aan de staart bengelen Griekenland, Kroatië, Roemenië en Turkije (6,3 %), allemaal met minder dan 20 %.


Hoe hoger de graad van postmoderniteit hoe meer burgers te verliezen hebben en hoe groter de onzekerheid m.b.t. hun toekomst (kan ik morgen nog mijn hypotheek aflossen, mijn huur betalen, trekt mijn vrouw of mijn man er niet van onder met een ander, krijg ik nog wel een deftig pensioen, geef ik mijn kinderen en kleinkinderen nog wel een ecvologisch leefbare wereld mee). Hoe groter ook de graad van postmoderniteit hoe groter de uitgaven voor leger, politie en gerecht om crminaliteit, terrorisme, of oorlog te bestrijden). Het wordt in elk geval een verhelderende studie voor al wie geïnteresseerd is in de toekomst van zijn kinderen en kleinkinderen. Lezen dus, zou ik zeggen.

Share

By

DUS GOD HOORT NIET THUIS IN WETENSCHAP

Posted on 4 min read 59 views

Het hoofdstuk over God (40 pp A4) is eindelijk af. Mensen die niet nadenken en niets weten denken dat ze alles weten en hebben het nergens voor nodig. Ikzelf weet eveneens zo goed als niets maar ik gebruik mijn hoofd wel om te denken, zonder kritiekloos te slikken wat anderen mij proberen wijs te maken. Het hoofdstuk behoort tot het beste van wat ik ooit schreef. Zie hier de slotpagina:

Zoveel is wel duidelijk: Gödel heeft nooit de bedoeling gehad een bewijs te leveren dat God bestaat. In tegenstelling tot zijn vriend Einstein geloofde Gödel (vaag) in een persoonlijke God waar Einstein een mengeling van agnosticisme en pantheïsme voorstond. Wat Gödel Dana Scott wilde verduidelijken was dat het ontologisch argument van Anselmus in termen van hogere logica, van tweede en derde orde, kon worden herschreven. Daarbij kan niet worden ontkend dat Axioma 3 en Axioma 5 logisch onjuist zijn geformuleerd en dat Gödel ze onbewezen als waar aanvaardt. De logisch correcte schrijfwijze van Axioma 3 zou moeten zijn “De eigenschap goddelijk te zijn is positief op voorwaarde dat ze met voorbeeld kan worden toegelicht (in de zin van exemplified)” in plaats van “De eigenschap goddelijk te zijn is positief”. Analoog is de logisch juiste schrijfwijze van Axioma 5 “Noodzakelijk bestaan is positief op voorwaarde dat dit met voorbeeld kan worden toegelicht” in plaats van “Noodzakelijk bestaan is positief”. Vermis Gödel zijn lezer dwingt Axioma 3 en Axioma 5 onvoorwaardelijk te aanvaarden kan de juiste conclusie onmogelijk anders zijn dan dat men het goddelijke onvoorwaardelijk moet aanvaarden. 


Maar er is meer aan de hand. Logica en wiskunde zijn – in de geest van wat Bertrand Russell daarover zei – verzamelingen van analytische uitspraken die niets zeggen over de werkelijkheid. Ze lenen zich uitstekend om in precieze termen uitspraken over de (observeerbare) werkelijkheid te doen. Maar wat gebeurt er men als men die betrouwbare taal, die logica en wiskunde zijn, gaat gebruiken om uitspraken te doen over alle mogelijke werelden (ook de niet-observeerbare)? Stel dat iemand mij als econometrist vraagt of het mogelijk is dat er een land bestaat waar de vraag naar sigaretten ongewijzigd blijft als men er de accijnzen op sigaretten zou verdubbelen? Zolang men mij niet kan zeggen om welk land het gaat kan ik met mijn hele wiskundige bagage niets doen om het koopgedrag (in casu de perfecte prijsinelasticiteit van de vraag) te beschrijven. Stel dat men mij zegt dat het land in kwestie de Islamitische Staat is (een virtuele staat die door geen enkel land ter wereld wordt erkend), dan nog kan ik er met wiskunde niets doen omdat sigaretten er geen prijs hebben (omdat de sharia het roken van sigaretten verbiedt). Eigenlijk kan men de logica – geen enkele logica – gebruiken om noodzakelijk juiste uitspraken te doen over een niet-observeerbare werkelijkheid. Men zal in het beste geval niet verder komen dan tot contingente uitspraken die mogelijk waar zijn maar even mogelijk onwaar. Uitspraken over alle mogelijke werelden kunnen nooit betrouwbaar zijn als men daar ook niet-observeerbare werelden mee bedoelt. De overgang van contingente uitspraken over de virtuele wereld naar noodzakelijk ware uitspraken over de werkelijke observeerbare wereld is in feite ontoelaatbaar. Ze wordt enkel mogelijk gemaakt door in de S5 logica het axioma “◊□p → □p” te introduceren, een onbewijsbaar axioma dat men maar onvoorwaardelijk zou moeten aanvaarden. Eigenlijk misbruiken alle ontwerpers van ontologische argumenten de logica om uitspraken te doen over feiten waarover men niet spreken kan [in de geest van propositie 7 uit de Tractatus van Wittgenstein, 1921: 150-151]. 

Besluit
Geen van de gevoerde argumenten voor het bestaan van God overtuigt; noch het kosmologisch argument, noch het moreel argument, noch het teleologisch argument, noch het ontologisch argument. Dat blijkt duidelijk uit bovenstaande analyse van elk van die argumenten. God behoort niet tot de werkelijke wereld. Natuurlijk bestaat God. Maar dan enkel in de virtuele wereld in de hoofden van miljarden gelovigen. God is een metafysisch begrip dat in de wetenschappelijke wereld niet thuishoort. Het introduceren van God in de wetenschappelijke wereld vloekt met Occam’ scheermes: Entia non multiplicanda sunt praeter necessitatum (men moet niet meer begrippen invoeren dan de noodzakelijke). In de werkelijke wereld is er geen ruimte voor een metafysische entiteit waarmee begrippen als “tijdloos” en “oneindig” worden verbonden. Niets in de werkelijke wereld bestond al vóór de tijd (dus ook het universum) bestond; ook niets is er oneindig omdat de grootst waarneembare entiteit in de werkelijke wereld – en dat is het universum – zelf eindig is. God is een buitennatuurlijke entiteit – een metafysisch begrip – waarvoor er binnen de werkelijke wereld en binnen de wetenschap die haar beschrijft geen plaats is. Daarmee wil niet gezegd zijn dat de metafysica zinloos is zoals de vertegenwoordigers van de Wiener Kreis destijds beweerden. Spiritualiteit (bijvoorbeeld zenmeditatie) en mystiek zijn niet zinloos. Daarover schreef één van de grootste Europese filosofen, Leo Apostel (1998) – zelf atheïst – een merkwaardig boek dat pas drie jaar na zijn dood werd gepubliceerd.

Share

By

HET DRAMATISCHE LEVEN VAN EEN GENIE

Posted on 7 min read 75 views

(uittreksel uit Hoofdstuk 2 van mijn magnum Opus "Postmoderniteit: Onzekerheid & Onveiligheid", dat ik momenteel zit te schrijven en dat per hoodstuk verkrijgbaar is door te mailen naar politiek2@gmail.com). Er komen 10 hoofdstukken van circa 40 tot 50 pp elk)

4.3. Het modale ontologische argument van Kurt Gödel
Alle hiervoor aangehaalde argumenten voor het bestaan van God 
falen omdat ze eigenschappen toekennen aan iets waarvan men a priori niet eens weet of het bestaat. Zoiets kan enkel maar als datgene waarvan men niet heeft kunnen vaststellen of het bestaat deductief kan worden afgeleid uit een wetenschappelijke theorie. Zo konden Englert, Broud en Higgs het bestaan van het Higgs boson mathematisch afleiden uit het Standaard Model van de Fysica (zoals dat in 1964 gekend was). Ze konden op grond daarvan stellen dat het boson een spin moest hebben, een antideeltje, en dat het geen elektrische lading had. Voorts konden ze stellen dat het nog te ontdekken boson een massa moest hebben van minimum 115 en maximum 180 GeV/c², enzovoort. Maar welke eigenschappen kan men toekennen aan een God van wie men bij aanvang van de redenering wel moet betwijfelen of hij bestaat? Die God kan niet deductief worden afgeleid uit een wetenschappelijke theorie, dus hoe kan men er een reeks eigenschappen aan toekennen zoals Plantinga doet? Trouwens waarom noemt men hem een “hij”, mannelijk? Antropologen en geologen vonden aanwijzingen dat ten tijde van de natuurlijke arbeidsverdeling (begrip van de socioloog Emile Durkheim, ) het product van de arbeid van de man (jacht) onzeker was, dat van de vrouw (die de voorraadschuren bewaakte) zeker was, en dat dit minstens zo was gedurende het eerste miljoen jaar bestaan van de homo ergaster, tot het vuur werd ontdekt, waardoor metalen werktuigen konden worden vervaardigd die het product van de jacht plots zeker maakten. Tot voor de ontdekking van het vuur bestonden er matrilineaire familiestructuren en was God of waren de goden steeds vrouwelijk. Na de ontdekking van het vuur domineerden de patrilineaire familiestructuren en werd God of werden de goden plots mannelijk. De eigenschappen die men goddelijke wezens toedeelde waren dus cultureel bepaald en toonden aan dat die goddelijke wezens een product waren van de menselijke fantasie die de eigen finaliteit tracht te overstijgen.


Maar wat gebeurt er met het ontologisch argument indien men de per definitie toegeschreven eigenschap van het goddelijk wezen beperkt tot “positief” (tegenovergestelde van “negatief”), dus tot “goed” als tegengesteld aan “kwaad”? Dan kan men het bestaan van God niet langer afleiden uit de definitie van het goddelijk wezen, zoals van Anselmus over Leibniz, tot Malcolm en Plantinga steeds weer werd gedaan. Trouwens, is het wel zo’n goed idee om aan een God, waarvan niets eens weet of hij wel bestaat, de eigenschap “goed = positief” toe te kennen? Zou de mensheid er niet beter af zijn geweest indien niemand het ooit in zijn hoofd haalde dat God misschien bestond? Demografen berekenden dat sinds het ontstaan van de aarde er ongeveer 107,5 miljard mensen op geboren zijn, van wie er nu nog 7, 4 miljard leven. Een verpletterende meerderheid daarvan heeft op scholen – door ouderen die zelf niet konden bewijzen dat Hij bestond – ingepompt gekregen dat God goed en wel bestaat. Maar vergeet men hoeveel van al die mensen werden gefolterd, gemarteld of gedood in naam van die “goede” God? De Spaanse conquistadores hebben in Midden- en Zuid-Amerika meer mensen vermoord dan Hitler en Stalin samen, doodgewoon omdat ze niet geloofden of durfden twijfelen aan het bestaan van die goede God. En ondertussen moorden moslims van de salafistische strekking als die van ISIS, Al Qaeda, Boka Haram, Al Shabaab, Taliban, etc., andere moslims (vaak van sjiitische strekking), onder het schreeuwen van leuzen dat Allah groot is, elkaar in zijn naam uit. Is die goede God geen bron geweest van honderden godsdienstoorlogen? Dus wat is er dan zo goed aan?


Maar O.K., laten we die al te gemakkelijke ethische opmerking, terzijde, en laten we nagaan of er, vertrekkend van de minimale definitie dat een goddelijk wezen “goed” is, een steekhoudend ontologisch argument voor het bestaan van is? Zo’n argument werd – al in 1941 – geformuleerd door de Amerikaans-Oostenrijkse mathematicus, logicus en filosoof Kurt Gödel [1906-1978](1987), iemand die (samen met Gottfried Wilhelm Leibniz, Immanuel Kant, Carl-Friedrich Gauss, Karl Marx, David Hilbert, Albert Einstein, Ludwig von Mises, Emmy Noether, Ludwig Wittgenstein, Michael Kalecki, Elizabeth Anscombe en Niklas Luhmann) m.i. tot de grootste denkers gerekend wordt die ooit op aarde hebben rondgelopen – dus iemand met wie het moeilijk kersen eten valt. Na een protestantse middelbare schoolopleiding aan de Lutherse Evangelische Volksschule in Brünn studeerde hij af in wis- en natuurkunde aan de Universiteit van Wenen. Hij doctoreerde er onder leiding van Hans Hahn over de eerste orde predicaten calculus (het fameuze Gödel’s Completeness Theorem). Nog in Wenen kwam hij al op jonge leeftijd in contact met de filosofen van de Wiener Kreis (Rudolf Carnap, Hans Hahn, Moritz Schlick, Hans Reichenbach, Karl Menger, Karl R. Popper). Daar werd in juni 1936, onder de ogen van Popper, de mathematicus en filosoof Moritz Schlick, op de trappen van het universiteitsgebouw, doodgeschoten door Johan Nelböck, een marxistisch student van Schlick. Bij Popper leidde dit tot een levenslange traumatische aversie van het marxisme; bij Gödel (die al sinds zijn adolescentie een aanleg voor paranoïde gedrag vertoonde) leidde het tot een zenuwcrisis en een steeds meer uitgesproken panische angst om vergiftigd te worden – een trauma dat hem tot zijn dood zou blijven achtervolgen. Hij werd (onbezoldigd) privaatdocent aan de Universiteit van Wenen, reisde een paar keer naar de Verenigde Staten, en gaf er onder meer gastcolleges aan Princeton University (waar hij Einstein voor het eerst ontmoette). Na de Anschluß van Oostenrijk door Hitler werd het land een onderdeel van nazi-Duitsland en werd de titel van privaatdocent afgeschaft. Omdat de meeste leden van de Wiener Kreis van Joodse afkomst waren, werden de bijeenkomsten afgeschaft en ontvluchtten de meeste leden hun vaderland, onder meer naar het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Gödel – die vrijwel geen politieke interesse vertoonde – maar die verdacht was van Joodse sympathieën omwille van zijn lidmaatschap van de overwegend Joodse Wiener Kreis, en die pas (in het geheim) met de zeven jaar oudere Adèle Nimburski-Porkert was getrouwd, besloot pas in januari 1940 met haar naar Amerika te vluchten. Dat deed hij niet door per schip of per vliegtuig de Atlantische Oceaan over te steken, maar wel door met de Transsiberische Express heel de Sovjet-Unie te doorkruisen om dan naar Japan over te vliegen en van daar naar de Verenigde Staten. Hij vestigde zich in Princeton, IL, waar hij een baan kreeg aan het Institute for Advanced Study. 


Op Amerikaanse grond begint hij zich steeds meer te interesseren in filosofische vraagstukken. Hij bestudeert er werken van Leibniz en Kant en is het met Kneale eens dat “bestaan” in de verschillende logica’s onmogelijk een predicaat kan zijn. Bij wijze van oefening – en geheel niet met de bedoeling te “bewijzen” dat God bestaat – gebruikt hij in 1941 de symboliek van de modale logica om het ontologisch argument van Leibniz te herschrijven vertrekkend van één eigenschap van het goddelijke (a godlike thing), namelijk dat het goed smile-emoticon positief) is, en van twee definities over de essentie van iets, het bestaan ervan op een nieuwe manier te herschrijven, door “bestaan” te vervangen door “noodwendig zijn”. Zijn ontologisch argument is amper twee bladzijden lang en hij vindt het de moeite van het publiceren niet waard. Zelf is hij een overtuigd theïst die de meeste religies slecht vindt, maar niet “de religie” die zoals de familie, sociologisch een aantal functies vervult. Hij vestigt zich definitief in Princeton en sluit er een hechte vriendschap met de 27 jaar oudere Einstein in wiens gezelschap hij geregeld wandelingen maakt. Einstein zelf komt op de duur enkel nog naar Princeton University – zeker na zijn pensionering in 1944 – om op weg naar huis met Gödel van gedachte te wisselen. 
Vanaf 1946 weigert Gödel – die dan veertig jaar is – nog iets te publiceren. Het duurt nog tot 1947 alvorens hij op voorspraak van Einstein en de wiskundige econoom Oskar Morgenstern de Amerikaanse nationaliteit krijgt en tot 1953 alvorens hij vast benoemd wordt als buitengewoon hoogleraar aan Princeton University. Voor de zeventigste verjaardag van Einstein in 1949 schenkt hij hem een tekst over de Gödelse meetkunde waarin hij de veldvergelijkingen van Einstein anders oplost en concludeert dat het begrensde maar uitdijende heelal rond draait. Zijn psychische moeilijkheden nemen vanaf 1955 snel toe. Zijn panische angst om vergiftigd te worden wordt zo groot dat hij op Einstein en Morgenstern na geen contacten meer onderhoudt met de buitenwereld. In 1971 wordt hij professor emeritus. Als in 1977 zijn vrouw Adèle naar de kliniek moet voor een langdurige ingreep en pas zes maanden later in een invalidenwagentje het hospitaal van Princeton kan verlaten heeft hij al die tijd niets meer gegeten. Bij haar terugkeer weegt hij amper nog 35 kilogram. Hij wordt nog opgenomen in de kliniek maar sterft er op 14 januari 1978 aan ondervoeding. Adèle sterft drie jaar later.


“Axiom 1: If φ is good, and φ forces ψ (that is, it's necessarily true that anything with property φ has property ψ), then ψ is also good.
Axiom 2: For every property φ, exactly one of φ and ¬φ is good. (If ¬φ is good, we may as well say that φ is bad.)
Theorem 1 (Good Things Happen): If φ is good, then it's possible that something exists with property φ. 
Definition 1: We call a thing godlike when it has every good property.
Axiom 3: Being godlike is good.
Theorem 2 (No Atheism): It's possible that something godlike exists. 
Definition 2: We call property φ the essence of a thing x when (1) x has property φ, and (2) property φ forces every property of x.
Axiom 4: If φ is good, then φ is necessarily good.
Theorem 3 (God Has No Hair): If a thing is godlike, then being godlike is its essence. 
Definition 3: We call a thing indispensable when something with its essence (if it has an essence) must exist.
Axiom 5: Being indispensable is good.
Theorem 4 (Yes, Virginia): Something godlike necessarily exists.” (Mathematics Stackexchange, 2013).

Share

By

OVER BUITENAARDS LEVEN EN TOEVAL

Posted on 7 min read 56 views

3.3. Buitenaards leven en toeval
Vermits RNA nog geen DNA is, enkel de via regia naar DNA, en vermits DNA staat voor leven, kan men RNA beschouwen als potentieel leven, als in opbouw zijnde leven. Een aantal erg complexe chemische en nog niet verhelderde reacties die nodig zijn om instabiel RNA om te zetten in stabiel DNA wordt begunstigd als er naast water ook zulke elementen aanwezig zijn als (geoxydeerd) molybdenum, boron en zuurstof. Van de aarde weten we dat die, net als alle planeten van ons zonnestelsel, 4,54 miljard jaar oud is en dat de oudst vastgestelde levensvormen op aarde, teruggevonden in het zirkoonrijke rotsgesteente van Jack Hills in West-Australië, 4,1 miljard jaar oud (Bell & Co, 2015) . Ze ontstonden toen er nagenoeg geen zuurstof op aarde was, toen het hele aardoppervlak nog bedekt was met dampend water en toen de oceanen 4,04 miljard jaar geleden nog moesten worden gevormd. Sterk zuurstof verrijkt molybdenum kon tijdens de 400 miljoen eerste jaren van het bestaan van de aarde niet voorkomen omdat er onvoldoende zuurstof was. Ook was boron er toen nog niet te vinden omdat dit enkel voorkomt op droge plaatsen die er toen nog niet te vinden waren. De omstandigheden voor de creatie van RNA waren tijdens de 400 eerste jaren van het bestaan van de planeten in het zonnestelsel waren veel gunstiger op de tweede kleinste planeet, minstens 55,8 miljoen kilometer van de aarde verwijderd, op Mars. Daar was toen nog voldoende zuurstof aanwezig en bestonden er al droge plekken zodat zuurstof verrijkt molybdenum en boron er voorradig waren Dat betekent nog dat de eerste bouwstenen voor het leven – RNA moleculestrengen – er in elk geval makkelijker voorradig waren dan op aarde. Een soortgelijke situatie heeft mogelijks ook bestaan op de maan Titaan van Saturnus en op de maan Europa van Jupiter – iets wat zou kunnen worden onderzocht door een methode aangegeven door Lebreton en Matson (2002: 70-72). Het is dus niet uitgesloten dat, voor er een aanzet tot leven via RNA op aarde ontstond, eerder al een soortgelijke aanzet op Mars ontstond.

Die gedachte werd in elk geval verdedigd door de biochemicus Steven A. Benner van het Westminster Institute for Science and Technology uit Florida op de jaarlijkse Goldsmith Conferentie van 28 en 29 augustus 2013 (Mike Wall, Carl Zimmer en Richard Webb , al 2013). Hij sloot niet uit dat er eerder een voorloper van leven (RNA) was op Mars dan op aarde. Ook niet dat aards leven het gevolg was van meteorieten van Mars die insloegen op aarde, waarmee de panspermia theorie weer naar boven was gehaald. Niet toevallig was dit nadat medewerkers van de NASA op aarde meteorieten (afkomstig van Mars) hadden gevonden waarin zulke stikstofhoudende bouwstenen van adenine en guanine voor RNA en andere organische moleculen werden gevonden (Michael P. Callaghan en Bill Steigerwald, allebei 2011). Het was in elk geval een eerste overtuigend empirisch bewijs dat er op zijn minst een buitenaardse aanzet tot leven bestaat of heeft bestaan. 

Zegt Benner (Wall, 2013): "It’s only when molybdenum becomes highly oxidized that it is able to influence how early life formed,. This form of molybdenum couldn’t have been available on Earth at the time life first began, because 4 billion years ago, the surface of the Earth had very little oxygen, but Mars did. It’s yet another piece of evidence which makes it more likely life came to Earth on a Martian meteorite, rather than starting on this planet. Organic compounds are the building blocks of life, but they need a little help to make things happen. Simply adding energy such as heat or light turns a soup of organic molecules into a tarlike substance.. That's where oxidized molybdenum comes in. Inserting it or boron, another element, into the mix would help organics make the leap to life. Analysis of a Martian meteorite recently showed that there was boron on Mars; we now believe that the oxidized form of molybdenum was there, too. Another point in Mars' favor is the likelihood that the early Earth was completely covered by water while the ancient Red Planet had substantial dry areas.. All of this liquid would have made it difficult for boron, which is currently found only in extremely dry places, to form in high enough concentrations on Earth when life was first evolving.”

In 2015 vonden astronomen van het Nils Bohr Instituut van de Universiteit van Stockholm een nieuw betrouwbaar bewijs voor mogelijk RNA van buitenaardse oorsprong op de jonge protoster IRAS 16293-2422, die 400 lichtjaar van de aarde verwijderd is, sporen van glycolaldehyde (Ker Than, 2012). Dat is een suikerfosfaat zoals men aantreft in de ruggengraat van RNA en DNA. Ook dat wijst minstens op een aanzet tot leven in de ruimte. Eenzelfde glycolaldehyde werd volgens de Zweedse sterrenkundige Jes Jørgensen ook aangetroffen in een gaswolk in het midden van ons Melkwegstelsel, maar nu wel op 26.000 lichtjaar van de aarde. Dat is op zijn minst een aanwijzing dat, zo er in het universum, buiten ons zonnestelsel, al RNA wordt aangemaakt, het in een vroeg ontstaansstadium van hemellichamen voorkomt. In maart 2015 slaagden onderzoekers van de NASA er voor het eerst in geslaagd de bouwstenen voor RNA en DNA aan te maken zoals die in het buitenaardse universum in jonge protosterren of gasnevels kunnen ontstaan, inclusief de suikerfosfaatbruggen en de stikstof houdende bouwstenen met inbegrip van cytosine, uracil (in RNA) of thymine (in DNA) (R. Marlaire, 2015

Empirisch onderzoek toonde ondubbelzinnig aan dat het op zijn minst mogelijk is dat in het heelal leven kan ontstaan: de nodige bouwstenen daarvoor worden al in een vroege fase van het ontstaan van hemellichamen – bouwstenen van de RNA-moleculeketen! – op bepaalde plaatsen, respectievelijk op 55,7 miljoen kilometer (Mars), op 400 lichtjaar (protoster IRAS 16293-2422) en op 26.000 lichtjaar (gaswolk in het midden van het Melkwegstelsel) van de aarde waargenomen. Alles laat vermoeden dat naarmate de ruimtevaart vordert en de telescopen steeds krachtiger zullen worden er nog veel meer waarnemingen zullen volgen (vrijwel zeker op de manen Titaan en Europa). Maar hoe komt het dan dat we nergens anders dan op aarde aanwijzingen vinden voor meer dan alleen een aanzet tot levende materie?
 
Om een antwoord op die vraag te vinden moet men er terdege rekening mee houden dat het 3,5 miljard jaar heeft geduurd (van microscopisch cellulair leven 4,1 miljard jaar geleden, ten tijde van het Precambrium, tot 630 miljoen jaar geleden, ten tijde van het Ediacarium) alvorens complex meercellig leven ontstond: zeewormen. Gedurende 2,3 miljard jaar bestond er enkel microscopisch leven, in zeewater of ondergronds. Pas 1,2 miljard jaar geleden ontstonden onder zee zulke meercellige Eukaryoten als algen. Al die tijd ervoor bestond niets anders dan niet-cellulair leven van virussen, dan ééncellig leven van Prokaryoten (Eubacteria en Arcaebacteria) en niet-complex meercellig leven van de eerste Eukaryoten. Daarna moeten we nog 570 miljoen jaar wachten alvorens bovengronds complexe meercellige Eukaryoten ontstaan: de landplanten. Het eerste bovengronds dierlijk leven is niet ouder dan 542 miljoen jaar. Wel nam het complexe meervoudig cellulair leven daarna relatief snel toe met de opkomst van de dinosauriërs ongeveer 230 miljoen jaar geleden. De eerste zoogdieren verschenen pas 65 miljoen jaar geleden (muizen). Op de eerste mens, de ondertussen uitgestorven homo ergaster, een voorloper van de homo erectus, maar al een aapachtige die werktuigen maakte, dus al een homo faber, verschijnt ten vroegste tijdens het Vroeg Pleistoceen, 1,9 miljoen jaar geleden . De mens is niet meer dan het laatste modesnufje uit de evolutieleer. Inderdaad, als we het heelal voorstellen als een oude man van 100 jaar, dan is de mens amper een boorling van 5 dagen. De grootste dummies onder de dummies zijn de creationisten: tegen alle empirische evidentie in houden zij staande dat het heelal pas 6000 jaar geleden door god werd geschapen en ze schrikken zich een aap als je hen vertelt dat de mens afstamt van de aap. De apenkammers, die de creationisten zijn, vallen op zijn minst dood als je hen vertelt dat de mens als vroegste voorouder de …bacterie heeft.
 
Maar terug naar de vraag hoe het komt dat, voor zover we weten, nergens in het heelal waargenomen RNA evolueerde tot enkel nog maar bacteriën? De reden hiervoor is allicht dat de vindplaatsen die van jonge protosterren en gasnevels zijn die veel later zijn ontstaan dan de aarde. Zo er al leven bestaat moet het moeilijk waarneembaar microscopisch leven zijn. Maar wat gedaan met Mars dat even oud als de aarde is en waar de eerste bouwstenen voor RNA mogelijks ouder zijn dan de aardse? Ooit had Mars een dikke atmosfeer en een magnetisch veld, maar beiden zijn er snel verdwenen. In tegenstelling tot de aarde heeft Mars geen ozonlaag die het beschermt tegen inslaande meteorieten en een zo dun geworden atmosfeer dat het niet langer wordt beschermd tegen zonnewinden. Zo er al een aanzet tot vorming van RNA was, als vastgesteld op de Marsmeteoriet ALH84001, kon de zeer instabiele RNA er zich niet omzetten in DNA en is er nu geen leven meer op Mars.
 
De bewering van de theïsten dat dat leven noch noodwendig, noch bij toeval ontstond, maar wel als een ontwerp, en dat de ontwerper onmogelijk iemand anders dan god kan zijn, wordt zowel door de waarnemingen in de ruimte als door die van de biogenetica krachtig tegengesproken. Als god al de ontwerper van het heelal was moest hij dit doen in 10-42 seconde Plancktijd, maar waarom had die vliegensvlugge schepper dan minstens twee miljard jaar tijd nodig om uit dode materie levende materie te maken? En waarom lukte het die ontwerper dan nergens anders dan op aarde om in die twee miljard jaar tijd leven te doen ontstaan? Trouwens wat voor kluns was die ontwerper als hij de aanzet tot leven op Mars niet eens beschermde en toeliet dat de ozon en het magnetisch veld er weer verdween. En wat voor prutser was hij als hij eerst de dinosaurus tot leven wekt om daarna wat te spelen met inslaande hemellichamen die hem weer deden verdwijnen? Met wat we weten over de omzetting van instabiele RNA moleculeketens tot stabiele dubbele schroefvorminge DNA moleculeketens weten we ook dat er veel geluk (toeval) mee gemoeid is opdat de omzetting van RNA in DNA ergens in het heelal zou slagen. De Amerikaanse moleculaire bioloog Steven A. Benner (2006: 17-18) heeft het niet voor niets over “chance and necessity in early life”.
 
(Uittreksel uit mijn artikel over het bestaan van god dat NIEMAND wenste te lezen)

Share

By