Economie

OVER HET BASISINKOMEN: UBI NEEN, NIT JA

Posted on 14 min read 155 views

3. Vraag #2: Zal de hoge werkloosheid dwingen tot invoering van UBI? 
UBI staat voor unconditional basic income, afgeleid van een idee dat op het einde de jaren 1840 ontstond binnen de communes die na de dood van de Franse utopische socialist Charles Fourier (1772-1837) werden opgericht. De grote verdediger van een basisinkomen voor iedereen was de Belgische zelfbenoemde jurist en zakenman Joseph Charlier (1816-1896). Hij vond dat mensen die werkloos waren recht hadden op veel meer dan liefdadigheid. Zo vond hij het de taak van de overheid om de armoede te bestrijden door iedere burger het recht te geven op een minimaal basisinkomen. Zonder de Schotse econoom John Stuart Mill (1806-1873) die sympathie voelde voor het fourierisme ware het werk allicht vergeten geworden binnen de economische wetenschap, ware het niet dat Mill een jaar later aandacht besteedde aan het voorstel in zijn Principles of Political Economy (1849). De idee waaide over naar Amerika waar de conjunctuureconoom Henry George (1839-1897) in zijn bestseller Progress and Poverty (1879) voorstelde om een land value tax in te voeren om met dat overheidsinkomen de armoede te bestrijden. Hierbij dacht hij hoofdzakelijk aan de groep werklozen die bij economische crises telkens sterk toenam en geen middelen had om in het levensonderhoud te voorzien. Hieruit ontstond een beweging die men het Georgisme noemt. Het zal nog duren tot midden de Grote Depressie – die gepaard ging met nooit eerder geziene werkloosheid – alvorens de gedachte aan een basisinkomen wind in de zeilen krijgt. De Amerikaanse Democraat Huey P. Long (1893-1935) die van 1928 tot 1932 gouverneur van Louisiana was, daarna senator, startte in 1934 de beweging Share Your Wealth met de bedoeling de armoede de wereld uit te bannen. Als onverbeterlijke populist deed hij een waslijst van voorstellen, de ene nog utopischer dan de andere, om de strijd tegen de armoede te financieren, bijvoorbeeld dat al wie meer dan 5 miljoen dollar erfde het overschot aan de staat moest afstaan en een progressieve rijkentaks die opliep tot 100 procent voor inkomens van meer dan 100 miljoen dollar, later herzien tot 50 miljoen dollar. In 1935 kondigde hij zijn kandidatuur voor de presidentsverkiezingen voor de presidentsverkiezingen aan om een maand later te worden neergeschoten door de schoonzoon van een tegenkandidaat. Hij stierf twee dagen later. Zijn weduwe zette de beweging Share Your Wealth nog jaren verder.


Friedrich A. Hayek (1899-1992) is de eerste van 7 Nobelprijswinnaars Economie die in 1945 in zijn Road to Serfdom de gedachte aan een basisinkomen als onderdeel van de theoretische economie zal verdedigen. Hij schrijft: “There can be no doubt that some minimum of food, shelter, and clothing, sufficient to preserve health and the capacity to work, can be assured to everybody.

[This is] no privilege but a legitimate object of desire … [that] can be provided for all outside of and supplementary to the market system.” Over hoe dit gefinancierd moet worden blijft hij extreme vaag. James E. Meade (1907-1995) is de tweede Nobelprijswinnaar die al in 1955 alludeert op de noodzaak van een minimum inkomen om economische onzekerheid te vermijden. Het zal nog tot 1989 duren alvorens hij een model van volledige werkgelegenheid uitwerkt, gesteund op aanvullingen van de laagste lonen door taxatie. Het model zal later worden toegepast in Brazilië. Het zal allicht verrassen dat de anders zo conservatieve Milton Friedman (1915-2006) de derde Nobelprijswinnaar is die een sociaal programma voorstelt dat iedereen een minimum inkomen garandeert. Daarbij gaat hij niet zo ver een UBI voor iedereen te bepleiten, maar verdedigt hij een NIT (negative income tax): als iemands inkomen te laag is moeten er geen belastingen worden betaald maar vult de overheid het inkomen aan. In 1980 schrijven hij en zijn vrouw hierover: “We should replace the ragbag of specific welfare programs with a single comprehensive program of income supplements in cash — a negative income tax. It would provide an assured minimum to all persons in need, regardless of the reasons for their need, while doing as little harm as possible to their character, their independence, or their incentives to better their own conditions. A negative income tax provides comprehensive reform which would do more efficiently and humanely what our present welfare system does so inefficiently and inhumanely.” De term NIT is afkomstig van de sociaal bewogen Britse schrijfster Juliet E. Lady Rhys-Williams (1898-1964). Een vierde gelauwerde econoom, James Tobin (1918-2002), onderzocht in 1967 of een NIT in de Verenigde Staten uitvoerbaar was, vond dat het kon, en kaartte de idee vijf jaar later, onder meer samen met Paul A. Samuelson, aan het Congres aan. Twee andere keynesianen, John Kenneth Galbraith (1908-2006) in de tweede editie van zijn Affluent Society van 1966 en (een vijfde Nobelprijswinnaar), Robert M. Solow (°1923) in An Economist’s View of the Income Maintenance Experiments van 1986 verdedigen, zij aan zij met én de Oostenrijkers én de monetaristen – die anders het zonlicht in de ogen van de andere niet kunnen verdragen – de NIT. 


Galbraith schrijft: “We need to consider the one prompt and effective solution for poverty, which is to provide everyone with a minimum income. The arguments against this proposal are numerous, but most of them are excuses for not thinking about a solution, even one that is so exceedingly plausible. Idleness, we agree, is demoralizing. But even here there is a question: Why is leisure so uniformly bad for the poor and so uniformly good for the exceptionally well-to-do? We can easily afford an income floor. … And there is no antidote for poverty that is quite so certain in its effects as the provision of income.” Solow schrijft: “I should add that experiments have the added advantage of providing some information about the system’s capacity to administer and operate a new policy mechanism. This is important; it is something that the Manpower Demonstration Research Corporation has always paid a lot of attention to in its experiments and demonstrations. The main disadvantage of the social experiment as a policy tool is that it may often leave us having to explain to ourselves why we do not do the right thing, when it is costly but not terribly costly. But that is not a serious problem either. One of the things Americans are best at is kidding themselves along.” 


De gedachte dat armoede tegen een relatief lage kost kan worden bestreden door een NIT, heeft in de Jaren 1960 tot het einde van de Petroleum crisis een waslijst aan verdedigers gekregen. In dat opzicht kunnen de socio-econoom Robert Theobald, de 1964 Nobelprijswinnaar voor de Vrede Martin Luther King, de sociaal psycholoog Erich Fromm van de Frankfurter Schule, de sociaal antropologe Margret Mead, de futuristische architect Buckminster Fuller, de Amerikaanse senator George McGovern, en tal van anderen worden vermeld. De vraag waarom armoede dan blijft bestaan werd keurig beantwoord door de Duits-Amerikaanse sociologische functionalist Herbert Gans (°1927) in zijn The Positive Functions of Poverty. Daarin legt hij, helemaal in de geest van Robert K. Merton (de grondlegger van het functionalisme), uit dat armoede een sociaal verschijnsel is, en dat het als alle sociaal verschijnselen blijft voortbestaan zolang het een positieve balans van eufunctionele gevolgen heeft. Armoede kan niet worden afgeschaft zolang er een groep mensen, die het binnen de samenleving voor het zeggen heeft, er profijt uit haalt. Dat zijn niet zelden groeperingen van ondernemers en hun politieke waterdragers.


Tegen 1986 zijn economen, sociologen, psychologen en antropologen – zowel conservatieven als progressieven – het erover eens dat een gewaarborgd inkomen betaalbaar is via het systeem van negative income tax. Voor de Belgische marxistische socioloog Philippe van Parijs (°1951) en de Britse econoom Guy Standing (°1948) is dit aanleiding om vanaf nu te ijveren voor een onvoorwaardelijk basisinkomen (UBI) voor iedereen, wat een hele stap verder gaat. Van Parijs omschrijft UBI als volgt: “By universal basic income I mean an income paid by a government, at a uniform level and at regular intervals, to each adult member of society. The grant is paid, and its level is fixed, irrespective of whether the person is rich or poor, lives alone or with others, is willing to work or not. In most versions–certainly in mine–it is granted not only to citizens, but to all permanent residents. The UBI is called "basic" because it is something on which a person can safely count, a material foundation on which a life can firmly rest. Any other income–whether in cash or in kind, from work or savings, from the market or the state–can lawfully be added to it. On the other hand, nothing in the definition of UBI, as it is here understood, connects it to some notion of ‘basic needs.’ A UBI, as defined, can fall short of or exceed what is regarded as necessary to a decent existence. I favor the highest sustainable such income, and believe that all the richer countries can now afford to pay a basic income above subsistence. But advocates of a UBI do not need to press for a basic income at this level right away. In fact, the easiest and safest way forward, though details may differ considerably from one country to another, is likely to consist of enacting a UBI first at a level below subsistence, and then increasing it over time.”


Van Parijs en Standing hebben in 1986 BIEN (Basic Income European Network) gesticht en zijn sindsdien de locomotieven van het basisinkomen voor iedereen. In 2002 heeft Standing in Genève het eerste BIEN Congres georganiseerd. Onder de andere fervente verdedigers van UBI kunnen de Oostenrijkse filosoof André Gortz (1923-2007) (medeoprichter van Le Nouvel Observateur), de Canadees-Amerikaanse filosoof Peter Vallentyne (°1953), de links-libertaire Canadees Hillel Steiner (°?) en de Schotse economiste Alisa McKay (1963-2014) worden vernoemd. Samen met Van Parijs en Standing hebben ze wereldwijd politieke invloed uitgeoefend op politieke partijen die het basisinkomen in hun programma hebben opgenomen. In de Verenigde Staten en Japan zijn dat de Greens; in heel Europa – inclusief Turkije – de Piratenpartij; daarnaast: in Duitsland Die Linke; in het Verenigd Koninkrijk Green Party of England and Wales, de Scottish Green Party, en de Scottish Socialist Party; in Nederland Groen-Links, enzovoort. In België hebben de ecologisten het basisinkomen een tijd lang verdedigd maar daarna niet meer. Dat het overal marginale politieke partijtjes zijn gebleven houdt ongetwijfeld verband met het feit dat de grootste verdedigers veel te weinig macro-econoom of econometrist zijn om netjes te berekenen hoeveel dat moet kosten. Volgens de Amerikaan Allan Sheahen mogen we die vraag zelfs niet eens stellen: “When we ask: ‘What will it cost?’ we make a mistake. We should ask: ‘To what are we committed?’ In World War II, we didn’t say: ‘What will it cost to defeat Hitler?’ We went out and did what we had to do.” Wat door een schare van UBI aanhangers ter zake wordt voorgesteld is een waslijst van meestal even ontoereikende als fantasmagorische plannen die eindeloos tekort schieten. In 2000 heeft een topeconoom, zowat een laatste universeel genie, een puur rekenwonder, en de zesde Nobelprijswinnaar in de rij, Herbert A. Simon (1916-2001), een raming gemaakt hoeveel UBI de Amerikaanse overheid moet kosten. Hij hield het op een vlaktaks van 70 procent in de Verenigde Staten:


“I am in strong general agreement with Philippe Van Parijs’s argument for a UBI or ‘patrimony’ a portion of the product of a society that should be shared by all of those who inhabit that society. To establish such a patrimony is equivalent to recognizing shared ownership of a significant fraction of the resources, physical and intellectual, that enable the society to produce what it produces. As the essay makes a very strong case for the UBI and its feasibility, I will limit my comments to just two issues: (1) why a UBI (or patrimony) would be just; and (2) some problems of incentives that such a system poses and that need to be handled effectively. (…) On moral grounds, then, we could argue for a flat income tax of 90 percent to return that wealth to its real owners. In the United States, even a flat tax of 70 percent would support all governmental programs (about half the total tax) and allow payment, with the remainder, of a patrimony of about $8,000 per annum per inhabitant, or $25,000 for a family of three. This would generously leave with the original recipients of the income about three times what, according to my rough guess, they had earned.” “I am not so naive as to believe that my 70% tax [required to fund a UBI of $8,000 p.a. with a flat tax – PVP] is politically viable in the United States at present, but looking toward the future, it is none too soon to find answers to the arguments of those who think they have a solid moral right to retain all the wealth they earn.”


Van Parijs somt een aantal bezwaren tegen UBI op en probeert die, vaak op overtuigende manier, te ontzenuwen. Maar wat gedaan met de hardnekkige aversie van een meerderheid die niet wil meebetalen voor mensen die luiheid boven werken verkiezen? Hierover schrijft Van Parijs: “A third objection is moral rather than simply pragmatic. A UBI, it is often said, gives the undeserving poor something for nothing. According to one version of this objection, a UBI conflicts with the fundamental principle of reciprocity: the idea that people who receive benefits should respond in kind by making contributions. Precisely because it is unconditional, it assigns benefits even to those who make no social contribution – who spend their mornings bickering with their partner, surf off Malibu in the afternoon, and smoke pot all night. One might respond by simply asking: How many would actually choose this life? How many, compared to the countless people who spend most of their days doing socially useful but unpaid work? Everything we know suggests that nearly all people seek to make some contribution. And many of us believe that it would be positively awful to try to turn all socially useful contributions into waged employment. On this background, even the principle ‘To each according to her contribution’ justifies a modest UBI as part of its best feasible institutional implementation.


But a more fundamental reply is available. True, a UBI is undeserved good news for the idle surfer. But this good news is ethically indistinguishable from the undeserved luck that massively affects the present distribution of wealth, income, and leisure. Our race, gender, and citizenship, how educated and wealthy we are, how gifted in math and how fluent in English, how handsome and even how ambitious, are overwhelmingly a function of who our parents happened to be and of other equally arbitrary contingencies. Not even the most narcissistic self-made man could think that he fixed the parental dice in advance of entering this world. Such gifts of luck are unavoidable and, if they are fairly distributed, unobjectionable. A minimum condition for a fair distribution is that everyone should be guaranteed a modest share of these undeserved gifts. Nothing could achieve this more securely than a UBI. Such a moral argument will not be sufficient in reshaping the politically possible. But it may well prove crucial. Without needing to deny the importance of work and the role of personal responsibility, it will save us from being over-impressed by a fashionable political rhetoric that justifies bending the least advantaged more firmly under the yoke. It will make us even more confident about the rightness of a universal basic income than about the rightness of universal suffrage. It will make us even more comfortable about everyone being entitled to an income, even the lazy, than about everyone being entitled to a vote, even the incompetent.”


Gesteld dat ondanks de erg hoge kost, een vlaktaks van 70 procent, men dit system toch zou doorvoeren, dan creëer je op zijn minst een afgunstmaatschappij waarbij zij die niet werken voorwerp zullen zijn van “racistische woede”. Daarmee bedoel ik wat in onze welvaartmaatschappij vrijwel dagelijks wordt gehoord en er de eerste bron van racisme is: het feit dat vreemdelingen er toestromen, er woonst en inkomen krijgen zonder ooit een cent te hebben aanbetaald in het gastland dat hen opvangt. Zoiets – UBI – krijg je, voorlopig toch, bijzonder moeilijk verkocht. Ondanks een reeks voordelen blijft de modale burger er weigerachtig tegenover staan omdat in het UBI stelsel van de armste tot de rijkste maandelijks eenzelfde bedrag krijgt, ongeacht wie al dan niet werkt, ongeacht wie al dan niet legaal in het land verblijft.


De vraag of we straks een UBI-stelsel moeten invoeren is vooral voor Europa dwingend. Ondanks een (bescheiden) economische herneming blijft de werkloosheid er veel te hoog. Vooruitzichten dat de werkloosheidsgraad er snel zal dalen zijn een vorm van wishful thinking. Het vermoeden is gewettigd dat als de op zeepbellen drijvende structurele crisis in Europa aanhoudt, automatisering en robotisering ertoe zullen leiden dat het aantal arbeidsplaatsen niet langer gelijke tred zal kunnen houden met de groei van de beroepsbevolking. Een voor de hand liggende oplossing, het aantal arbeidsuren per tewerkgestelde terug te schroeven, zal nimmer aanvaard worden als dat met loonverlies gepaard gaat. Maar, zoals het McKinsey Global Institute rapport van mei 2013 aantoont, stelt het probleem zich ook in de Verenigde Staten. Hierover schreef Paul Krugman (°1953) – de zevende Nobelprijswinnaar die een gewaarborgd inkomen genegen is – in de New York Times:


“Even a quick scan of the report’s list suggests that some of the victims of disruption will be workers who are currently considered highly skilled, and who invested a lot of time and money in acquiring those skills. For example, the report suggests that we’re going to be seeing a lot of “automation of knowledge work,” with software doing things that used to require college graduates. Advanced robotics could further diminish employment in manufacturing, but it could also replace some medical professionals. (…) Education, then, is no longer the answer to rising inequality, if it ever was (which I doubt). So what is the answer? If the picture I’ve drawn is at all right, the only way we could have anything resembling a middle-class society — a society in which ordinary citizens have a reasonable assurance of maintaining a decent life as long as they work hard and play by the rules — would be by having a strong social safety net, one that guarantees not just health care but a minimum income, too. And with an ever-rising share of income going to capital rather than labor, that safety net would have to be paid for to an important extent via taxes on profits and/or investment income. I can already hear conservatives shouting about the evils of “redistribution.” But what, exactly, would they propose instead?”


Een stijgende werkloosheid zal het kapitalisme dwingen werk te maken van of een UBI-stelsel; of een systeem van negatieve inkomensbelasting (NIT). Voorlopig zal een NIT met een vlaktaks stelsel allicht volstaan om al wie door de robotisering uit de markt wordt gestoten, en al wie het opgeeft nog langer naar een job te zoeken, een gewaarborgd inkomen te bezorgen. Om dit te kunnen blijven bekostigen zal er zeker moeten worden bezuinigd, bijvoorbeeld op allerlei transferinkomens. Voorts zal een rijkentaks dan wel verplicht worden, bijvoorbeeld voor gezinnen die eigenaar zijn van meer dan één woning en a fortiori voor gezinnen die eigenaar zijn van een onroerend goed dat meer dan bijvoorbeeld een miljoen euro waard is. Daarmee kan niet gevlucht worden naar de fiscale paradijzen. Dus moet er werk worden gemaakt van een vastgoed eigendomsregister waarbij onafhankelijke experten de waarde van woningen schatten of herschatten.

Share

By

Wie waren de vroegste economen?

Posted on 13 min read 172 views

HOE EN WANNEER WERD ECONOMIE EEN AFZONDERLINGE WETENSCHAP?

Van politici is geweten dat het onverbeterlijke ruziemakers zijn. Maar dat is echt maar klein bier als men ze vergelijkt met economen: die zijn het zowat over álles oneens. Binnen de economische wetenschap hebben zich sinds het ontstaan van die wetenschap scholen gevormd waarbij groepen van een bepaalde strekking geregeld groepen van een andere strekking op van alles aanvallen. Dit houdt vooral verband met de politieke voorkeur van economen. Een groot deel van de economie is dan ook politieke economie, terwijl economie eigenlijk een a-politiek verhaal zou moeten zijn. Heel veel heeft te maken met verschillende opvattingen over de rol van de overheid. Economen van rechtse politieke strekking willen liefst dat de overheid zo weinig mogelijk ingrijpt in het politieke leven en verdedigen het laissez-faire. Economen van linkse politieke strekking vinden dat de overheid net wel moet ingrijpen om een vlottere werking van het economisch systeem te garanderen. Enkel de econometrie lijkt boven die politieke strekkingen te staan. De meeste modellen werken immers met beleidsvariabelen. Dat zijn dan bijvoorbeeld de hoogte van de belastingen, van de rentevoeten, van de patronale bijdragen in de sociale zekerheid, enzovoort. Econometristen doen meestal geen uitspraak hoe hoog die moeten zijn, maar kunnen de overheid adviseren wat er met de economie van een land zal gebeuren mocht deze of gene beslissing worden genomen. De ellende is evenwel dat de meeste politici en mensen van hun kabinet nauwelijks inspanningen doen om hun beslissingen te baseren op econometrische rapporten. In veel gevallen winnen politieke leiders zelfs geen advies in bij hun federaal planbureau en kloppen ze als een blinde naar een ei als ze iets beslissen. Van politiek zou de burger mogen verwachten dat die erop gericht is met de bestaande schaarse middelen de welvaart van het land te maximaliseren. In werkelijkheid gebeurt meestal iets totaal anders en zijn politici aan de macht vooral geïnteresseerd hoe ze die macht kunnen behouden, of beter nog, hoe ze die kunnen verhogen.

Economie als geordende en afgebakende wetenschap begint eigenlijk pas na de Eerste Industriële Omwenteling van de tweede helft van de 18de eeuw. De Schot Adam Smith (1723-1790) wordt algemeen aanzien als de vader van de moderne economie – een moderne economie die overzichtsschrijvers laten aanvangen met de publicatie in 1776 van zijn Wealth of Nations.[1] Smith, die bij zijn geboorte meteen een halve wees was omdat zijn vader, een hertrouwde weduwnaar, twee maand eerder stierf, was bijlange niet de grote innoverende geest in het economisch denken, maar veeleer iemand die sporadische economische inzichten van anderen bundelde. Heel veel van wat hij over economie schreef haalde hij uit geschriften van vooral Franse en Britse-Duitse-en Oostenrijkse denkers die onderling verdeeld waren over de vraag wat nu de belangrijkste bron van rijkdom was: waren dat de edele metalen of was dat de natuurlijke rijkdom van de gronden? Of nog: economie was nog niet eens een wetenschap toen er al duchtig werd geruzied tussen mercantilisten die vonden dat landen zoveel mogelijk edele metalen moesten verzamelen om hun rijkdom te verhogen[2] (en dus voorstander waren van protectionisme), en fysiocraten die ervan overtuigd dat de natuurlijke rijkdom van een land verbonden was met het bewerken van zijn grond (en dus voorstander waren van vrijhandel). In die controverse stelde Smith zich op als de grote verdediger van het laissez-faire, de grote liberale jongen (met een tic nerveux en een spraakgebrek, nooit getrouwd) die de moderne economie uitvond. In die zin beschouwde een aantal economen, die genoeg hadden van de hagiografieën over Adam Smith, hem zelfs – en dat was dan wel overdreven – als een iconoclast, dat is economische primitieveling.[3]

Wat hij daarover schreef had hij in werkelijkheid “ontleend” van de echte grondlegger van de economie als wetenschap, van de Franse arts en fysiocraat François Quesnay (1694-1774) die later lijfarts zou worden van Madame de Pompadour en van Lodewijk XV, maar die met zijn Tableau Économique van 1759[4]  zijn tijd minstens twee volle eeuwen vooruit was. Quesnay getuigde als eerste na William Petty (zie verder) van helder macro-economisch inzichten: hij besefte dat de grootste macro-economische grootheid niet is wat wij nu het bruto nationaal product noemen (dat is de som van alle toegevoegde waarde), maar wel wat wij nu de turn-over (de nationale output) noemen, dat is alles wat in een land wordt geproduceerd, inclusief alles wat bedrijven onderling aan mekaar leveren (wat ze aan mekaar leveren wordt in het BNP buiten beschouwing gelaten, daar wordt enkel gekeken naar wat ze aan gezinnen, overheid en buitenland verkopen). Het heeft inderdaad nog haast twee volle eeuwen geduurd alvorens een naar Amerika uitgeweken Russisch econoom, Wassily W. Leontjief, de basisgedachte van Quesnay kon samenballen in wat we nu input-outputtabellen noemen, en waarbij duidelijk blijkt hoe het nationaal product ontstaat. Quesnay was dan ook de eerste die impliciet aanvoelde dat economische crises mogelijk waren wanneer er meer werd geproduceerd dan de totale vraag van de natie. Adam Smith van zijn kant had gewoon geen benul van mogelijke economische crises en lulde maar wat uit zijn nek als hij stelde dat een onzichtbare hand (zijn fameuze invisible hand) er altijd wel voor zou zorgen dat vraag en aanbod aan elkaar gelijk moesten worden. In het denken van Smith is overproductie – oorzaak van alle economische crises – een onmogelijkheid. Waarom dit zo was kon Smith eigenlijk zelf niet verklaren.

De Engelsman William Petty (1623-1687), kind uit een eenvoudige arme familie, was de grote voorloper van Quesnay. Ten tijde van de lord protector Oliver Cromwell, die koning Karel I had laten terechtstellen om een kortstondige dictatuur (1653-1658) te vestigen over Engeland, Schotland en Ierland, mocht hij het kadaster van Ierland besturen en hield hij er een fortuin aan over nadat hij door Cromwell beloond werd met 9000 pond en 30.000 acres grond in het zuidwesten van Ierland. Het belette hem niet om na de Restauratie lid te worden van de Royal Society ten tijde van het koningschap van Karel II en Jacobus II. Ooit begonnen als arts ging hij zich steeds meer interesseren aan de armoedige situatie in het economisch achtergestelde Ierland. Daarbij ontwikkelt hij een compleet statistisch begrippenarsenaal waarbij hij een aantal puur economische monografieën gaat schrijven.[5] Hij is de eerste die leert denken in zuiver macro-economische termen. Zo lanceert hij de begrippen nationaal inkomen en nationaal product en wordt daarmee de verre voorloper van de econometrie. Gekant tegen het mercantilisme stelt hij dat arbeid bron van welvaart is en niet goud of zilver. Van Petty zou Adam Smith, trouwens zonder de herkomst te vermelden, zijn arbeidswaardetheorie overnemen, een theorie die stelde dat de waarde van waren bepaald wordt door de tijd die er aan werd gewerkt. Voorts was Petty de eerste die het had over de kredietmultiplicator die bankiers toeliet veel meer krediet te verlenen dan het geld dat ze in kas hadden. De economische theorie van Petty leerde Smith in feite kennen via Quesnay.

Quesnay ontmoette Smith toen hij op vraag van een belangrijke Engelse aristocraat en staatsman, de oudste zoon van diens echtgenote, weduwe van een Engelse hertog, als tutor begeleidde en met hem – zoals toen gebruikelijk was in adellijke kringen – Europa doorreisde, een reis die meer dan anderhalf jaar duurde en die pas afgebroken werd toen de jongere broer van zijn beschermeling in Parijs werd vermoord. Het was Quesnay die Smith overtuigde van de noodzaak aan vrijhandel en hem liet inzien dat de mercantilistische stellingen van diens tijdgenoot Sir James Steuart (1713-1780) onmogelijk konden kloppen: de rijkdom van een land had volgens Quesnay, zoals Petty eerder al stelde, niets te maken met de hoeveelheid edele metalen die het door internationale handel kon binnenrijven, wel met de rijkdom van de bodem die men bewerkte. Dat mercantilisme was iets wat Jean-Baptiste Colbert (1619-1683) ten tijde van de zonnekoning altijd had volgehouden. Arbeid evenwel was de bron van alle welvaart, niet goud of zilver. Smith vond het nogal raar dat Quesnay, zoon van een arme familie met elf broers en zussen, zo vurig de land- en mijnbouw verdedigde, maar nam dit graag van hem over omdat een aantal illustere voorgangers van Smith dit veel eerder ook hadden gedaan.

Onder hen de Iers-Franse bankier Richard Cantillon (1689-1734)[6] die een grote rijkdom had verworven door speculatie in het spoor van de Schotse bankier John Law, maar die finaal een resem schuldeisers achterliet – schuldeisers die hem in 1734, zo wordt algemeen gedacht, zouden vermoorden toen ze zijn huis in Londen in brand staken. Eigenlijk was Cantillon samen met de door hem bewonderde William Petty de eerste om een boek te schrijven dat geheel aan de economie was gewijd. In zijn Essai van 1755 had hij het al over de omloopsnelheid van het geld en over zeepbellen die de financiële economie van een land ondermijnden. Dat laatste had Cantillon aan den lijve ondervonden toen zijn speculatieve beleggingen in de Mississippi Company van bankier John Law, faliekant afliepen.

John Law (1671-1729) was de zoon van een rijke Schotse goudsmid die in 1694 zijn liefdesrivaal in een duel, waarin die zich niet verdedigde, koelbloedig neerstak. Hij werd hiervoor wegens moord ter dood veroordeeld maar kon, gefortuneerd als hij was, uit de gevangenis ontsnappen om te vluchten naar de Nederlandse Republiek, waar Amsterdam op het eind van de gouden eeuw het financiële centrum van Europa was geworden. Geïnspireerd door de Nederlandse kooplui die betalingen deden met wisselbrieven in plaats van met geld, bepleitte hij het invoeren van papiergeld gedekt door goud als internationaal betaalmiddel. Op die manier werd hij de eerste monetaire econoom uit de geschiedenis. Hierover publiceerde hij een makkelijk leesbaar boek dat in kringen van kooplui gretig werd gelezen.[7] Het boek was een heftige reactie tegen het mercantilisme. Uiteindelijk slaagde hij er in zijn idee in Frankrijk verkocht te krijgen. Dat land zat door een reeks oorlogen ten tijde van Lodewijk XIV zo diep in de schulden dat het niet langer genoeg munten in omloop kon brengen. Daarom stemde de regent, Filips van Orléans, die het land regeerde in afwachting van de meerderjarigheid van Lodewijk XV, dat Law op eigen risico papiergeld mocht uitgeven. Om dit te kunnen doen zonder tegenwerking van de banken moest er volgens Law wel een centrale bank komen. Die kwam er in 1718 en aanvaardde het papiergeld als wettig betaalmiddel. Dit alles ging niet zonder moeilijkheden omdat speculatie alles in de war stuurde. Uiteindelijk kon de staatsbank in 1720 enkel gered worden ten koste van zware verliezen in Laws Mississippi Company.

Toen Adam Smith in 1776 in zijn Wealth of Nations als overtuigd liberaal heftig tekeer ging tegen het mercantilisme deed dat lachwekkend  aan, omdat de strijd tegen die tijd al gestreden was en er tegen die tijd er vrijwel geen verdedigers van het mercantilisme meer waren. Ook Smiths verdediging van het liberalisme was niet bijster origineel. Hij nam het vooral over van de Franse baron Anne-Robert-Jacques Turgot (1727-1781) die onder Lodewijk XVI controleur van Financiën was, en wiens Réflexions sur la formation et la distribution des richesses Smith bij ogenblikken vrijwel letterlijk overnam.[8] Waar Turgot klaar inzag dat het mercantilisme tot financiële crises in Frankrijk moest leiden, tovert Smith die crises weer weg met zijn invisible hand.

Het belang van Adam Smith als vader van de economische wetenschap blijft overroepen. Zijn Wealth of Nations is helemaal geen origineel boek maar veeleer een samenvatting van wat zijn voorgangers over economische onderwerpen veel eerder schreven. Dat hij de waardetheorie van Cantillon stilzwijgend overnam, zonder bronvermelding, siert hem in elk geval niet. De titel van “vader van de economische wetenschap” blijft een verkeerde voorstelling. De echte vaders van de economie zijn William PettyRichard Cantillon en vooral François Quesnay. Wat daarbij van belang is zijn twee vaststellingen.

Primo ontstond economie als zelfstandige wetenschap overduidelijk als politieke economie wat inhield dat er wel vanaf het begin onenigheid tussen economen moest ontstaan omdat politiek altijd al gepaard ging met een resem tegenstellingen. Maar net dit maakt economie zo boeiend. Als de ene econoom zegt en de andere ¬(dus: niet-p), waarbij staat voor een bewering (een propositie), dan moet de lezer wel een standpunt innemen en dwingt dit hem om kritisch te denken. Ook om meer over het onderwerp te lezen. Als François Quesnay zegt dat economische crises niet uit te sluiten zijn en Adam Smith zegt dat de onzichtbare hand crises onmogelijk maakt, dan dwingt dit te onderzoeken wie van beiden nu gelijk heeft, des te meer nadat empirische waarneming aantoonde dat de economische geschiedenis bol staat van  crises. Tot voor de doorbraak van het kapitalisme waren dat hoofdzakelijk agrarische en financiële crises. Na de doorbraak van het kapitalisme waren dat geregeld terugkerende kortstondige crises (dus recurrente conjunctuurcrises) of onregelmatig ontstane langdurige crises (dus persistente crises).

Secundo draaiden de vroegste economische geschriften vrijwel steeds rond de vraag hoe rijkdom verworven kon worden. Daarbij had men het niet over de rijkdom van particulieren, vrijwel steeds om de rijkdom van landen. De vroegste economie was dus macro-economisch van aard. Micro-economie zou pas later ontstaan (met de Fransman Augustin Cournot als grondlegger).

Mij werd ettelijke keren gevraagd, zowel door geschoolde economen als door leken, wie nu eigenlijk de “grote economen” zijn. Een antwoord op die vraag is steeds subjectief en zal verband houden met het aantal economen dat iemand heeft bestudeerd. Ik moet dus het antwoord op die vraag schuldig blijven. Het enige wat ik kan doen is aangeven welke economen mijn economisch denken het meest hebben gevormd. Uiteindelijk zijn dat er minstens 120 geworden. Van hen zijn er 8 die eerder geboren zijn dan Adam Smith en die ik hieronder in een fotostrip weergeef. In deel II volgen er, gerangschikt naar geboorte, nog 112. Die komen aan het slot van elk van de zeven hoofdstukken. Van diegenen die mij het meest gevormd hebben heb ik en de naam plus de geboortedatum en eventuele sterfdatum in bold face afgedrukt. Van de anderen die grote invloed op mij hadden staat enkel de naam in vet lettertype. Dat er zo weinig vrouwen tussen zitten zal allicht aan mij liggen. En ja ik had er Beatrice Webb (1858-1943) van de Fabian Society kunnen tussen zetten of de transgender Deirdre McCloskey (°1942) van de Chicago School, maar eigenlijk hebben die mijn economisch denken nauwelijks gevormd. Utopisten als Claude Henri Saint-Simon (1760-1825), Armand Bazard (1791-1832), Barthélemy Prosper Enfantin (1796-1864), of Pierre Joseph Proudhon (1809-1865) hebben mij op jonge leeftijd wel kunnen bekoren, maar horen wel niet thuis in de rij. Men kan ze nauwelijks wetenschappers noemen.

 

ECONOMEN-00

Hierna moet nog een 40-tal bladzijden volgen.


[1] Smith, Adam (1776), An Inquiry into the Causes of Wealth of Nations, Chicago, Ill: University of Chicago Press, 1976. Voor een geanoteerde verkorte versie zie: Smith, Adam (1776), An Inquiry into the Causes of Wealth of Nations, A Selected Edition, Kathryn Sutherland, Oxford: Oxford Paperbacks, 2008. 

[2] Het mercantilisme dat tussen 1500 en 1750 de grondstroom was in het voor-economisch denken werd vooral verdedigd door kooplieden en ambtenaren ten tijde van het vroeghandelskapitalisme. Grondleggers van het mercantilisme waren de Duitse koopman Thomas Mun (1571-1641), de Oostenrijkse advocaat Philip Wilhelm von Hornick (1640-1712 die in 1684 de Bijbel van het mercantilisme schreef) en de Schotse baron James Steuart die tien jaar voor Adam Smith het eerste handboek van economie schreef en net zo goed de vader van de economie had kunnen worden genoemd, dan wel als voorloper van … de totalitaire economie als Murray N. Rothbarth ooit schreef.

Mun, Thomas (1664), England’s Treasure by Foreign Trade, New York/London: Macmillan and Co., 1895, Reprinted in Eugen Weber,Eugen (ed) (1990), The Western Tradition, Vol. II, 4th edition, Lexington, MA: D. C. Heath, pp. 399-407.

Hornick, Philip Wilhelm von—  (1684a),  Östereich über Alles, wenn es Nur Will, pp. 223-243, URL:

 http://socserv2.socsci.mcmaster.ca/econ/ugcm/3ll3/hornick/AustriaOverAll.pdf, translated as Hornick, Philip Wilhelm von—  (1684b), Austria for All: An Economic Development Strategy for Austria and the Holy Roman Empire, London/New York, NY: Anthem Publishers, 2015.

Steuart, James (1767),  An Inquiry into the Principles of Political Oeconomy: Being an Essay on the Science of Domestic Policy in Free Nations, in Which Are Particularly Considered Population, Agriculture, Trade, Industry, Money, Coin, Interest, Circulation, Banks, Exchange, Public Credit, and Taxes, London: A. Millar and T. Cadell, reprinted as e-book.

[3] Anderson, Gary M. and Robert T. Tollison (1984), “Sir James Steuart as the Apotheosis of Mercantilism and his Relation to Adam Smith”, Southern Economic Journal, 51, N°2, pp. 456-469, October.

Schumpeter, Joseph (1954), History of Economic Analysis, New York, NY: Oxford University Press, pp. 181-194 liet van het werk van Adam Smith geen steen meer heel.

[4] Quesnay, François (1759), Tableau Économique, Paris: Encyclopædia Universalis France, (Fiche de Lecture), 2013.

[5] Petty, William (1662), A Treatise of Taxes and Contributions, in: Liberty Fund, Inc. (ed) (2010), The Economic Writings of  William Petty, e-book, pp. 51-117, URL: http://lf-oll.s3.amazonaws.com/titles/1677/Petty_0605-01_EBk_v6.0.pdf. Er bestaat sinds 1979 zelfs een facsimile van de originele tekst, uitgegeven door Hamish Riley-Smith en te koop tegen … £ 3.950.

[6] Cantillon, Richard (1755), Essai sur la Nature du Commerce en Générale, translated as An Essay on Economic Theory, Auburn, Alabama : Ludwig von Mises Institute, 2010. URL :  http://mises.org/sites/default/files/An%20Essay%20on%20Economic%20Theory_2.pdf .

[7] Law, John (1705), Money and Trade Consider'd with a Proposal for Supplying the Nation with Money, Farmington Hills, MI: Gale Ecco Print Editions, 2010.

[8] Turgot, Anne-Robert-Jacques (1766), Réflexions sur la formation et la distribution des richesses, in Turgot, Anne-Robert-Jacques (1970), Écrits Économiques, Paris : Calmann-Lévy, pp. 121-188.

Turgot, Anne-Robert-Jacques (1769), Valeurs et monnaies, in: Turgot, Anne-Robert-Jacques (1970), Écrits Économiques, Paris: Calmann-Lévy, pp. 231-250.

Share

By

KAN JE DOOR ZELFSTUDIE EEN STEENGOED ECONOOM WORDEN?

Posted on 2 min read 187 views

HOE LEER IK ECONOMIE UIT AMPER 10 BOEKEN
Onlangs vroeg een jonge man met gezonde hersenen onder zijn schedel, maar die helaas de flierefluiter uithing tijdens zijn jeugd, of je economie op je eentje kan leren. Mijn antwoord is simpel. Wie niet dom is en de moed heeft twee jaar lang, minstens vijf uur per dag, de hierna opgesomde boeken te bestuderen, zal een eindeloos beter econoom worden dan de flutstudentjes die we nu aan onze verkleuterde universiteiten aan het vormen (beter: misvormen) zijn. En onthoud ook dit nog: één van de grootste economen aller tijden, de Pool Michal Kalecki, heeft het ook in zijn eentje moeten leren. En toen waren er nog geen handboeken van zulke monumenten als Paul Krugman, Joseph E. Stiglitz of N. Gregory Mankiw.  Alles kan voor wie gezond verstand heeft en een ijzeren wilskracht. Of je er rijk van zal worden? Dat is niet de bedoeling, maar het kan wel een heel stuk helpen, ja.
Opgelet: De meeste hieronder geciteerde werken kosten wel over de US $ 200. Maar ze zijn het dan ook meer dan waard.

 

Inleidingen tot de economische wetenschap
Krugman, Paul and Robin Wells (2013a), Microeconomics, New York, NY: Worth Publishers, 3rd edition (597 pp).
Krugman, Paul and Robin Wells (2013b), Economics, New York, NY: Worth Publishers, 3rd edition (600 pp).
Mankiw, N. Gregory (2013), Macroeconomics, New York, NY: Worth Publishers, 8th edition (608 pp).
Stiglitz, Joseph E. and Carl E. Walsh (2006), Economics, New York, NY/London: W.W. Norton & Company, 4th edition (897 pp).
Wolff, Richard D. and Stephen A. Resnick (2012), Contending Economic Theories: Neoclassical, Keynesian and Marxian, Cambridge, Mass: MIT Press, 1st (416 pp).  

 

Twee onmisbare klassiekers
Keynes, John Maynard (1936), The General Theory on Employment, Interest and Money, New Delhi: Atlantic Publishers & Distributors, 2008 (357 pp).
Mises, Ludwig von— (1949), Human Action: A Treatise on Economics, Auburn, Alabama, 2007, 4 volumes (912 pp).

 

Inleiding tot de wiskunde
Simon, Carl P. and Lawrence E. Blume (1994), Mathematics for Economists, New York, NY/London: W.W. Norton (921 pp.)

 

Inleiding tot de statistiek
Mittelhammer, Ron C. (2013), Mathematical Statistics for Economics and Business, New York, NY/Heidelberg/Dordrecht/London: 2nd edition (748 pp.)

 

Inleiding tot de econometrie
Wooldridge, Jeffrey M. (2012), Introductory Econometrics, A Modern Approach, Mason, OH: South-Western, 5th edition (868 pp.) 

Share

By

EEN VERGELIJKING TUSSEN ENRON EN DEXIA

Posted on 11 min read 175 views

MAN EN PAARD NOEMEN

Het was niet roekeloos, het was misdadig

Het huidige bankwezen is nauwelijks nog te vergelijken met dat wat het meer dan honderd jaar is geweest. Van de haast heilige scheiding tussen depositobanken, die geen risico’s mochten nemen met de tegoeden van hun klanten, en investeringsbanken die dat wel mochten doen, is niets meer over gebleven. Zeggen dat de fire wall verdween met het opdoeken in 1999 in de Verenigde Staten van de Glass-Steagall Act is een overdrijving. De FED duldde al jaren eerder dat de Bankwet van 1933 stelselmatig werd uitgehold. Een eerste keer gebeurde dit in 1987 toen de Section 20, die depositobanken verbood filialen op te richten die handelden in risicodragend kapitaal, afgezwakt werd en het toegestaan werd dat banken 5 procent van hun inkomen mochten halen uit deals met financiële holdings. In 1988 werd dat opgetrokken tot 10 procent. London City volgde in Europa vrijwel onmiddellijk dat voorbeeld.

Voorts werd het sinds 1987 toegestaan dat depositobanken konden intekenen op zo genoemde collateral debt obligations (CDO’s), gebundelde kredieten met hoge hefboomeffecten (high leverage returns)Van de Continental Illinois Bank wordt beweerd dat die al in 1987 de eerste CDO op de markt bracht. Nog op het einde van de jaren 1980 greep de FED niet in toen Citibank de eerste financiering plaatste door middel van zogeheten structured investment vehicles waardoor het Section 20 verbod werd omzeild omdat de tegenpartij geen filiaal van de bank was.[1]  Bliksemsnel ontstond na 1987, meestal uitgaand van investeringsbanken een waslijst van innovatieve bankproducten die men meer algemeen gestructureerde kredieten ging noemen en aan depositobanken werden gesleten. En weer namen noch de FED, noch de Europese centrale banken initiatieven om die vorm van casinokapitalisme te stoppen. Toen de Glass Steagall Act in 1999 onder het bewind van Bill Clinton werd vervangen door de Gramm-Leach-Biley Act was ze inderdaad al morsdood. Hoe erg het met de illusoire fire wall tussen depositobanken en investeringsbanken gesteld was, werd treffend beschreven door de Belgische econoom Ivan van de Cloot in zijn boek Roekeloos (2014): “In de Verenigde Staten zorgde minister van Financiën Robert Rubin (een vroegere directeur van Goldman Sachs – jpvr) ervoor dat, hoewel de restanten van de overblijvende restanten van de Glass Steagall regelgeving een fusie tussen de verzekeraar Travelers en de bank Citicorp verbood, deze toch probleemloos kon doorgaan. Rubin verliet de schatkist in juli 1999 en werd enkele maanden later benoemd bij Citigroup voor een vergoeding van 15 miljoen dollar. Zijn beschermeling Lawrence Summers mocht zelfs nadien nog topadviseur bij Obama worden over bankendossiers, en we zagen diens rol bij de gebrekkige regulering van de bankensector.[2]

Eigenlijk stond de Glass-Steagall Act zo goed als machteloos tegen de handel in allerlei nieuwe bankderivaten. Ik beperk mij voorlopig tot één voorbeeld. Een kras, om niet te zeggen pervers mechanisme in die handel in bankderivaten – hoewel perfect legaal! – zijn de SPE’s, de zogenaamde special purpose entities die voorheen een voorrecht waren voor energiebedijven (remember Enron!) en de investeringsbanken. Die techniek werd na 1999 gretig overgenomen door depositobanken – commerciële banken dus, die steeds meer gingen handelen als waren zij nu heuse investeringsbanken, ondanks het feit dat zij met het geld van kleine spaarders speelden, niet met dat van het rijkste deel van de bevolking zoals de originele investeringsbanken. Hier in Europa spreekt men liever van SPV’s, special purpose vehicles of van titrisation bij de Franstaligen. Het is een mechanisme waarbij bedrijven of banken langlopende tegoeden of kredieten bundelen en die verkopen aan een in het buitenland éénmalig en tijdelijk opgerichte off-shore vennootschap (vaak Bermuda, Kanaaleilanden, Kaaimaneilanden maar ook Andorra, Liechtenstein of Zwitserland ) – de special purpose entity dus – die zelf geld ophaalt door eigen schuldpapier uit te geven, schuldpapier dat ze dan verkoopt aan (andere) banken. De bedoeling ervan is dat bij een foute afloop de handelende bank niet failliet gaat, vermits de verliezen niet in de eigen boekhouding worden ingeschreven, wel in die van de tijdelijke vennootschap die werd opgericht om een specifiek doel te bereiken. Daarom noemt men een SPV/SPE ook een "bankruptcy-remote entity". De oprichting van SPV’s is dus een techniek waarbij financiële instellingen risicovolle beleggingen buiten de balans kunnen houden. Wanneer die beleggingen dan fout aflopen komen de verliezen inderdaad enkel in de balans van de gebruikte SPV terecht, waarbij voorafgaand werd vastgelegd dat die nooit failliet kan gaan. Door te werken met een orphan structure  is de risiconemende financiële instelling geen aandeelhouder van de SPV, wat toezicht op deze tijdelijke vennootschappen bemoeilijkt, zoniet onmogelijk maakt. SPV’s zijn  onafhankelijk en genieten van bankruptcy remoteness. Geen van de kopers van door een SPV uitgegeven schuldpapier kan het failissement van zo’n SPV inroepen om te verhinderen dat beleggers schade zouden ondervinden als een medebelegger het failissement van de SPV zou inroepen. Kopers van schuldpapier, uitgegeven door SPV’s of SPE’s kunnen in geval van financiële problemen enkel beslag leggen op de financial assets van dat soort bedrijven.

Wie die onfrisse techniek heeft uitgevonden is niet geweten, al wordt hierbij wel verwezen naar of Goldman Sachs, of Citicorp. Zoveel is duidelijk dat de uiteindelijke bedoeling ervan was om controle door de Securities and Exchange Commission – d.i. de Amerikaanse beurswaakhond – onmogelijk te maken of op zijn minst te belemmeren. Het bestaan van SPE’s of SPV’s zou bij onze huisbankiers allicht ongeweten zijn, ware het niet dat de Amerikaanse gasleverancier Enron er eind 1990, begin 2001 schromelijk misbruik van heeft gemaakt om zijn balans onvoorstelbaar op te smukken en de koers van het aandeel zo de hoogte in te jagen. Inderdaad, ondanks gigantische schulden zijn Kenneth Lay, de stichter, en Jeffrey Skilling, de CEO, erin geslaagd de waarde van het intrinsiek waardeloze aandeel te doen stijgen tot meer dan 90,56 dollar.

Kort voor de Gas Bank, die Enron met zijn meer dan 3.000 filialen geworden was, in faling ging (op 2 december 2001) schreef Lay zijn meer dan 20.000 werknemers nog aan dat dat het Enron aandeel nog met 800 procent zou stijgen tegen eind 2010. Enkele weken later was datzelfde aandeel nog maar een paar dollarcent waard en stonden Lay’s 20.000 werknemers werkloos op straat. Het loont de moeite hier even een parallel te trekken met wat de Belgische Dexiabank overkwam tussen 2008 en 2009. Daar had de plaatselijke Kenneth Lay, in casu de megalomane Fransman Pierre Richard, nog voor hij het zinkende schip in het holst van de nacht ontvluchtte, zijn aandeelhouders fabuleuze winsten voorspeld maar verschrompelde de waarde van het Dexia-aandeel van bijna 25 euro in augustus 2008 tot een paar eurocent begin 2012. Waar Enron – op één na het grootste schandaal uit de Amerikaanse beursgeschiedenis – 31,2 miljard dollar schulden achterliet, zat de restbank Dexia uit het kleine België eind december op net geen … 1.000 milliard euro schulden, waarva, 600 miljard notioneel. Maar in de Verenigde Staten kreeg CEO Jeffrey Killing wel 24 jaar en 4 maanden gevangenisstraf voor het manipuleren van de boekhouding, financieel directeur Andrew Fastow 10 jaar, en schatbewaarder Ben Glisan 5 jaar. Kenneth Lay kon niet meer veroordeeld worden want hij overleed aan een hartinfarct (anderen houden het op zelfmoord) enkele weken voor zijn proces. In het kleine België, bij een bankschandaal dat veertig keer groter was dan dat van Enron, werd niemand veroordeeld, zelfs niet eens vervolgd. Niet Pierre Richard van 2000 tot 2006 CEO van Dexia. Niet Alex Miller van 2006 tot 2008 CEO van Dexia. Niet Pierre Mariani van 2008 tot 2012 CEO van Dexia. Niet Francine Swiggers of Marc Tenant die het spaargeld van 780.000 Arco spaarders mee de diepte in sleurden toen Dexia aan het wankelen ging. Niet Francis Vermeiren die 275 miljoen Dexia-aandelen in de boeken had laten staan tegen 8,26 euro per aandeel in plaats van 0,30 euro. In plaats van 2,27 miljard euro waard te zijn waren de aandelen amper 82,5 miljoen waard en moest er 2,2 miljard afgeschreven worden in de boeken van de failliete Gemeentelijke Holding, ruimschoots meer dan het kapitaal. Niet Jean-Luc Dehaene voorzitter van de Raad van Beheer (ondanks dat hij zijn eigen financiële ondeskundigheid in zijn Memoires toegaf). Niet  niet Yves Leterme of Didier Reynders die zonder tegenpruttelen het eisenpakket van Christine Lagarde aanvaardden toen er keiharde staatsgaranties op tafel moesten komen. Nochtans getuigden Leterme en Reynders in hun hoedanigheid van premier en van minister van Financiën van een ondraaglijke lichtzinnigheid  lichtzinnigheid door eind 2008 met liefst een derde van het nationaal beschikbaar inkomen van de burger te gokken om een virtueel failliete restbank overeind te houden, en door eind 2011 nog eens hetzelfde te doen met een kwart van het beschikbaar inkomen van de burger. Tot twee keer toe aanvaardden Leterme en Reynders dat België 60,5 % van de verstrekte waarborgen voor zijn rekening zou nemen tegen amper 36,5 % voor het zoveel grotere Frankrijk dat hoofdschuldige was in het Dexia debacle. In hun confrontatie met de gezanten van Christine Lagarde, de Franse minister van Financiën, op 8 oktober 2008, en met de entourage van haar opvolger François Baroin op 9 oktober 2011, gaven de Belgische onderhande­laars blijk van nachtelijke impotentie door de Franse eisen – op dictaat van president Nicolas Sarkozy – als een hoopje flanellen ja-knikkers, zonder enige vorm van verzet, te slikken.

Op 22 augustus 2012 berekende de Zwitserse bank Crédit Suisse voor hoeveel miljard euro de Belgische Staat zijn burgers aan risico’s blootstelde in het fameuze Dexia-dossier. Het resultaat van die becijfering kan enkel weerzin op wekken. Het ging om 72,5 miljard euro, goed voor 25,5 % van het bruto beschikbaar inkomen. Mij is geen Staat bekend die, in de wereld van het huidige casino­kapitalisme, zo heeft gegokt met het inkomen van zijn burgers. Op 7-8 november 2012 slaagden premier Elio di Rupo (na een telefonisch onderhoud met president François Hollande) en Financiënminister Steven Vanackere (na een discussie met zijn Franse ambts­genoot Pierre Moscovici) er in de compleet scheefgetrokken verhoudingen tussen België en Frankrijk (60,5 versus 36,5 %) iets te corrigeren toen er nog maar eens 5,5 miljard euro vers kapitaal in de bodemloze vergeetputten van de Dexia bad bank moest worden gekwakt. Waar men minstens had mogen verhopen dat de verhouding in de kapitaalinbreng fifty-fifty zou zijn, zoals dat nog het geval was bij de eerste kapitaalsverhoging van 6 miljard euro, eind september 2008, eisten de Fransen nu een verhouding van 2,9 miljard voor de Belgen tegen 2,6 miljard voor zichzelf. In ruil voor de iets hogere kapitaalinjectie door België werd wel aanvaard dat van de openstaande staatswaarborgen voortaan 51,4 % (i.p.v. 60,5 %) voor rekening van de Belgen zou zijn, tegen 45,6 % (i.p.v. 36,5 %) voor rekening van de Fransen. Hierdoor zakte het door België totaal genomen risico van 72,5 miljard naar 60,4 miljard euro (wat nog steeds 20,74 % van het netto beschikbaar natio­naal inkomen[3] van de burger). Voorwaarde voor die toegefelijkheid was dat N.V. Dexia, de bad bank dus, vanaf 2014 niet langer 0.9 % rente per jaar meer hoefde te betalen voor de gebruikte staatsgaranties, maar slechts 0.05 %. Bij gebruikte waarborgen van (momenteel) 75 miljard[4] betekent dit dat, zou tegen 2015 het gebruikte deel van de waarborgen even hoog blijven, er nog slechts 37.5 miljoen euro voor de staatswaarborgen moet worden betaald (waarvan 19.4 miljoen aan België) in plaats van 675 miljoen (waarvan 349 miljoen aan België). En de Belgen zouden nog wel grof verdienen aan de bankencrisis hadden Reynders en Leterme de burger wijs gemaakt, op het eigenste moment dat ze zijn zakken leeg  aan het schudden waren om omvallende banken te stutten. Was dat roekeloos? Neen, in bepaalde milieus van financiële economen werd dat als misdadig geïnterpreteerd. Maar Francis Vermeiren, burgemeestersjerp in Zaventem; Jean-Luc Dehaene staatsbegrafenis (die hij wel verdiende); Yves Leterme ondervoorzitter van de OESO. En Didier Reynders minister van Buitenlandse Zaken. In een land waar ons ons verdomd intiem kent, ja.

 

[1] Een structured investment vehicle (SIV) was een type fonds in het schaduwbanksysteem, het stelsel van non-bancaire spelers dat in de jaren 1990 en 2000 een belangrijke rol speelde in de kapitaalverstrekking aan bedrijven. De SIV werd door Citibank in 1988 uitgevonden, en bleef een populaire investeringsmethode tot de crash van 2008. De basisstrategie van deze investeringsvehikels was om geld te lenen door obligaties met een korte looptijd en een lage rente uit te geven, en het verkregen geld te investeren in obligaties met een langere looptijd en een hogere rente, en daardoor winst te maken op het rente- en looptijdverschil. SIV’s waren een vorm van structured finance kredietproduct (d.i. een techniek waarbij financiële instellingen toekomstige kasstromen onmiddellijk pogen te realiseren vóór de vervaldag. Door vertiteling probeerde men een mate van risicospreiding bewerkstelligen. (Synoniemen voor vertiteling zijn securisatie, effectisering.) Het is een financiële techniek waarbij activa worden samengevoegd en verkocht als verhandelbare securities (effecten). Financiële instituten en bedrijven van alle soorten gebruiken securisatie om de huidige waarde van toekomstige kasstromen direct te realiseren. Securisatie heeft sinds de jaren 1970 een hoge vlucht genomen en werd gebruikt bij de financiering van ongeveer 6,600 miljard dollar aan kredieten. Securisatie valt onder “Structured finance”. Collateral(ised) Debt Obligations zijn er een goed voorbeeld van. Het gaat hierbij om het samenbundelen van allerlei toekomstige tegoeden van financiële instellingen. Hypothecaire tegoeden zijn terzake het best bekend, maar het gebeurt ook met tegoeden van credit cards, van studieleningen, van intellectuele eigendomsrechten, van consumptief krediet, van emissierechten, van non performing loans, van massaclaims, van verzekeringspolissen, enzovoort. Hierbij wordt veelal gewerkt met het principe van achtergestelde obligaties. Bij vertiteling waarbij men toekomstige tegoeden nu al wil incasseren werkt men meestal met drie soorten obligaties, voor b.v. 90 % met A-obligaties die weinig risicovol zijn en een lage rente opbrengen, met voor b.v. 6 % achtergestelde B-obligaties die een hogere rente opbrengen maar die slechts kunnen worden uitbetaald na dat alle A-obligaties zijn afgelost, en met b.v. voor 4 % C-obligaties die een zeer hoge rente beloven, maar die pas kunnen worden uitbetaald nadat alle A- en B-obligaties zijn afgelost. Het is vooral die hoge winstverwachting die zoveel banken, geoefend in de graaicultuur, deed beleggen in gestructureerde kredieten.) De meeste gestructureerde investeringsverhikels hadden een grootte van tussen de 1 en 30 miljard dollar. Het verschijnsel SIV verdween na oktober 2008, toen het laatste SIV, het Sigma fonds werd geliquideerd.

[2] Cloot, Ivan van de — (2014), Roekeloos. Over Banken en Politiek, Tielt: Uitgeverij Lannoo nv, p. 240.

 [3] Volgens de recentste cijfers van de Nationale Bank van België bedroeg het netto nationaal beschikbaar inkomen eind 2011 305.93 miljard euro, waarvan 283.91 naar de nationale consumptie gaat.

[4] Momenteel is er al 55 miljard euro aangesproken van de 90 miljard die op 9 oktober 2011 aan Dexia werd toegekend. Daarbij komt ook nog de 20 miljard euro (restant van de staatswaarborg van 150 miljard van 8 oktober 2008) die ondertussen voor onbepaalde tijd is toegekend.

Share

By

FOR ECONOMISTS: A NEW THEORY OF VALUE, USEFUL TO CALCULATE NEGATIVE VALUE OF GREENHOUSE GASES

Posted on 33 min read 144 views

Jean Pierre van Rossem

Initial remark: I presented the first part of the text below already in 1978 at the KUL University in presence of Ernest Mandel. Paul de Grauwe was one of the followers of my presentation. In 2010 a student preparing a thesis on greenhouse gases asked me after a debate in Louvain if it was possible to use my energy value theory for pricing carbon emissions. I enlarged my theory with a second part and gave him the complete version to be used in his thesis. Although he wrote – apart from the introduction of my text on the energy value theory – a  high standing thesis himself, his work was only quoted 13 to 20, supposedly by the fact he was so frivolous to start from the work of Karl Marx, just as Marx was no economist at all, just some obscure philosopher.

Let’s start from the appointment that production is a physical process requiring input of energy, because without such input, production of wanted commodities or production in order to reduce unwanted commodities, is impossible. Input of energy concerns use of human energy, of bestial energy, of natural energy and of mechanical energy (of machines). Only the efficient used energy may be considered, not the wasted energy. Under conditions of capitalist production the owner of production means capitalises all forms of energy other than human energy.[1] The milkman who used formerly a draught-horse on his milk-round considered bestial energy as his capital. The miller considers the used natural (wind) energy as his energy. The rail-company considers the mechanical energy consumed by his locomotives as his capital. Contrarily the worker, owning no capital, sells his labour force (=human energy) to the owner of production means. Labour force is not measured in labour time but, as any force, it is measured in spent energy (kilowatt, petroleum-equivalent, coal-equivalent, etc.) Without input of efficient human energy, there can be no input of all of capitalised forms of energy (bestial, natural and mechanical).

Commodities reduce needs, needs on more as well as needs on less. In their commodity form needs have an exchange value. The exchange value [w(i)] of a commodity reducing the need can be quantified as the (non-composite) efficient human energy eH(i) necessary for the production or reproduction of the need-reducing commodity iIt’s well understood that on the quantification we reduce the composite efficient human energy, delivered by schooled and skilled workers, to simple (= non-composite) efficient energy as should have been delivered by workers without schooling and without labour experience. From our definition of the exchange value we know that w(i) = eH(i), expressed in e.g. kilowatt-hour.

The transformation of the value of commodity i, expressed in energy quanta, into the monetary value of the same commodity is given by its price p(i) multiplied with the produced quantity x(i) of commodity i. The transformation of value i into prices depends upon what we can call the transformation coefficient θ(i) of commodity i. We thus can put that the monetary value of commodity equals the exchange value of i multiplied by its transformation coefficient, or that:

            p(i) x(i) = θ(i) w(i)                                                                                   [1]

    and

            p(j) x(j) = θ(j) w(j)                                                                                   [2]

Equal change implies that commodities are exchanged against each other following their exchange value, or more that the transformation of exchange values, under conditions of equal change, into monetary values will be the same for all producers, i.e.      

            θ(i)  = θ(j)|"i, "j  = θ                                                                                  [3]

As soon as on a market of perfect competition one producer can increase the labour productivity more than his competitors j the value  of his commodities will be lower than those of and θ(i) ¹ θ(j) with  θ(j)|"j = θ

From the definition of the exchange value, nl. that w(i) = eH(i), and [1] en [2] follows:

            p(i) x(i) = θ(i) eH(i), and that                                                                   [4]

            p(j) x(j) = θ(j) EH(j)                                                                                  [5]

Under conditions of equal change all transformation coefficients are the same, as expressed by [3], so that the exchange ratio is given by:  

            p(i) x(i)/ p(j) x(j) = eH(i)/eH(j) w(i)/w(j)                                                  [6]

what implies that monetary expenditures for commodities are in the proportion of their exchange values.

What, however, happens under much more realistic conditions of unequal change[2]? Then θ(i) ¹ θ(j). Let’s now have a look on the production functions in both sectors i and j. Eventually all production is a function of (1) the input of efficient used human energy eH and of (2) all inputs of capitalised energies eC, where the last is the addition of efficiently used bestial, natural and mechanical energy. In general terms that means that:

            x = f(eH, eC)                                                                                            [7a]

Without any input of human energy no production is possible. But technological progress makes it possible that capitalised energy replaces more and more human energy. If we name the substitution possibility of human energy by capitalised energy sHC the production function can also be written as;

            x = f(eH, sHC)                                                                                           [7b]

Substitution of [7b] in [4] and [5] learns:

            p(i) fi[eH(i)sHC(i)] =  θ(i) eH(i), and                                                         [8]

            p(j) fj[eH(j)sHC(j)] =  θ(j) eH(j)                                                                 [9]

That means that the transformation coefficients multiplied by their energy inputs are in proportion to the commodity prices multiplied by their energetic production function:

            p(i) fi[eH(i)sHC(i)] / p(j) fj[eH(j)sHC(j)] = θ(i)/ θ(j) * eH(i)/ eH(j)             [10][3]

Under perfect competition as dominant market form, prices for similar commodities are equal. Making profit is in those circumstances only possible by increasing a firm’s labour productivity more than that of the other competitors. If in the same sector the labour productivity of firm is higher than in all firms j, the commodities made by will be manufactured with a smaller input of human energy [and a sHC(i) > sHC(j)]. An increase in productivity leads always to a decrease of the produced value. Under conditions of perfect competition that implies that the transformation coefficient of will be higher than that of all j, so that (a small) profit will be possible for but not for the other j. Firm will be able to sell its commodities above their value because θ(i) > θ. So, the more an enterprise on a market of perfect competition can increase its productivity, the more it will be able to sell commodities above their (exchange) value. From [4] and [5] we learn, after dividing left from the equality sign and right from it by eH that:          

            p(i) LP(i) =  θ(i)  and                                                                                     [11]

            p(j) LP(j) =  θ(j)                                                                                             [12]

where LP is the labour productivity x/eH. The higher the labour productivity, the more enterprises will be able to sell commodities above their value. That induces a continuous run to increase the use of capitalised energy. In the long run perfect competition cannot persist and the dominant market form of perfect competition will switch into oligopoly capitalism or monopoly capitalism by expulsion[4] of the weaker firms from the market. The continuous accumulation of capital (increasing continuously the input of more capitalised energy in the production) will lead to the disappearing of perfect competition and of the equal exchange. The new market form will be oligopoly capitalism[5] or monopoly capitalism where unequal exchange has replaced equal exchange.

The advent of production under conditions of oligopoly- or monopoly capitalism had a serious impact upon the realisation of profit. Profit (PRF) is nothing else than realised surplus value m on selling produced commodities on the market. Under conditions of perfect competition no firm is able to set prices [p(i) = p(j)|"i, "j ] and the lonely way to make profit is by producing commodities with a higher labour productivity than the rest of the competitors within the same sector s. Indeed surplus value per unit is:

            m(i) = w(s) – w(i)                                                                                          [13]

then profit equals

            PRF(i) = p m(i) = θ(s) w(s) – θ(i) w(i)                                                             [14]

In view of [11] and [12]:

            PRF(i) = p m(i) = p LP(s)w(s) – p LP(i)w(i) = p eH(s) – p eH(i) =

            p [eH(s) – eH(i)]                                                                                              [15]

so that

            m(i) = eH(s) – eH(i)                                                                                         [16]

The lonely way to make profit on a market of free competition is to create a surplus value by producing more productively than the rest of the sector. Under condition that all what was produced by is effectively sold, the realised profit PRF(i) = p m(i) will be [eH(s) – eH(i)]. That profit will be modest, something that was always hold by the neoclassical economy on analysing the situation of perfect competition. Only if per commodity the input of efficient non-composite human energy of a firm is lower than the similar input on the rest of the market, profit can be realised.

A whole other situation is the case on a market where imperfect competition is the dominant market form. Here producers are no longer dependent from the market: they have the possibility to set their own price as p(i) ¹ p(j), the more the less number of competitors on the market is. They can sell their commodities far above their value by increasing the transformation coefficient. So they have the possibility to realise extra profits (symbol Δ), something being excluded under perfect competition.  Under the condition that all produced commodities are sold total profit of enterprise I, selling commodities above their value, can be written as:

            Δ(i) = p(ix(i) – θ(pfw(i) = θ(iw(i) – θ(pfw(i) = [θ(i) – θ(pf)] w(i)                     [17]

Where  θ(pf) is the transformation coefficient as it should have been on a market of perfect competition.

Two remarks.

 (1) The energy theory of value, contrarily to the Marxian labour theory of value, comes not to the conclusion that the surplus value is the direct result of exploitation of the workers by the capitalist. Such conclusion was only possible by using time as measurement of value: value of commodities as well as value of labour force. In Marxian thinking the workers create the value of commodities by selling their labour force to the capitalist. For the reproduction of their labour force less time is needed than for the production of commodities. The difference is the surplus value which is appropriated by the owner of production means (capital). But how Marx calculated the value of the delivered labour force? He put that it is the value of all commodities the worker needs to reproduce his labour force. That is a very subjective criterion. The Cambridge UK specialist in value theories, Maurice Dobb, has admitted, together with Marx[6], that the time needed to reproduce the labour force had an “historical and moral” basis.[7] On speaking about Marx’s labour force, Dobb wrote:

Labour power (…) he (= Marx, jpvr) defined in Capital as ‘energy transferred to a human organism by means of nourishing matter’ and as ‘the aggregate of those mental and physical capabilities existing in human being which he exercises whenever he produces a use-value of any description’. The ‘nourishing matter’ needed to replace the energy used-up in work was the material input; and the possibility and dimensions of surplus-value depended upon the value of the former being less than the value ‘created’ as output by the labour is sustained.[8]

But if the reproduction of labour force is a question of energy why then working with time units and not with energy units?[9]  If we express the input of labour in the production process in e.g. kW, what else can we say over its reproduction than it needs the same quantity of kW? Surplus value originates not as a result of exploitation, but as a possibility to sell commodities slightly above their value under conditions of perfect competition (cf. [16]) or heavily above their value under conditions of imperfect competition (cf. [17]).

(2) It should be incorrect to believe that it is impossible to quantify θ(pf). Reasoning in the style of the neoclassical marginalists pricing on a market of perfect competition demand and supply determine the market prices so that the average revenue and the marginal revenue fall together, being a line parallel to the x-axis. Where the marginal cost curve intersects the marginal revenue line one finds which quantity a firm should produce. On a monopoly market the average revenue is a line with a negative slope, and the marginal revenue a line with a slope twice as sharp as for the marginal revenue. Where the marginal cost curve intersects the marginal revenue line one finds which quantity of a commodity should be produced at what price to realise the maximum profit. If we remember that under conditions of perfect competition perfect equal exchange is the rule, the price guaranteeing a break even is the one allowing no profit.[10] That corresponds in the neoclassical economy with the intersection of the average cost curve with the average revenue curve. θ(pf) can thus be perfectly quantified without any need on the marginal concepts of the neoclassical economy.[11]

*   *   *

An advantage of the here presented energy theory of value is that it can be used in pricing the emission of greenhouse gases. Let’s thus apply the energy value theory on the abatement (As) of greenhouse gases[12] in a sector (where is e.g. one of the sectors as enumerated by the IPCC, i.e. the Inter­governmental Panel on Climate Change)[13] Let’s assume that – certainly in the short run – the emission of greenhouse gases in sector is a fixed amount as of the production xs in a certain sector s.[14] Then the total production of greenhouse gasses xs(gg) = as xs. The need on less greenhouse gases is a collective need – a need on less – and an authority (regional, national or supranational as in the EU ETS system) has to decide with what percentage ls the emission of greenhouse gases must be reduced to reach the wanted abatement (As). Then As= las xs, where As is the quantity of greenhouse gases (not in percentage, but in tCO2) the authority decided to reduce, so that 

            As= ls xs(gg) las xs                                                                                        [18]

Following the by us proposed energy theory of value, the exchange value of the abatement, reducing the need on less greenhouse gases, can be quantified as the (non-composite) efficient human energy necessary for the production or reproduction of the wanted abatement.[15] From ps xs = θs ws (conform with [1]), and thus also xs = θs ws / ps we know after introduction in [18] that

            As= ls  xs(gg) las θs ws / ps                                                                            [19]

Due to xs(gg) = θs(ggws(gg) / ps(gg) equation [19] can be rewritten as:

            As= ls xs(gg) =ls θs(ggws(gg) / ps(gg)                                                                [20]

where ps(gg) is the price we have to pay for the abatement  of one tonne greenhouse gases. From [19] and [20] we learn that:

            as lθs ws / ps  ls  θs(ggws(gg) / ps(gg)                                                     [21]

so that:

            ps(gg) = (ps/as) . (θs(gg)/ θs) . (ws(gg)/ws)                                                        [22]

and since, due to our definition of exchange value, being equal to eH, equation  [22] can also be written as:

            ps(gg) = (ps /as) . (θs(gg)/ θs) . (eH(gg)/eHs)                                                   [23]

In the short run the two transformation coefficients in [23] will be nearly equal [θs(gg) @ θs] (this will certainly be the case when the monopoly degree is the same for gg and s). In absence of the possibility of switching in methods of production[16] the quotient eH(gg)/eHs will be a constant k . as where k  will be the higher  the lower the switching possibilities are (even k = ¥ if there exist no switching possibilities at all). Where switching techniques exist (k = low) an additional input of human energy eH(gg), not only in the emission reducing sector s, but also by its subcontractors, will be needed to succeed the switch. So we can write that:

            eH(gg)/eHs = k . a + ßs  eH(gg)                                                                          [24]

Introduction of [24] and θs(gg)/θs @ 1  in [23] gives:

          ps(gg@ ps . [ k + (ßs/as) . eH(gg)]                                                                       [25]

where ps(gg)/ps is nothing else than a linear equation in eH(gg) so that and ßs acan easily be found with the method of the least squares.

ps(gg) is the price to be paid on reducing emission of CO2 in sector by 1 tCO2. For practical calculation one needs to have access to ps and eH(gg) during several quarters or years. Calculation of eH(gg), that is the input of human energy needed for switching of techniques, is only possible on using input output tables for the studied sector. An iterative calculation process will reveal after a limited number of steps the price to reduce CO2 emission in sector by one tonne.  

The above approach may be considered as a completely method of pricing carbon. As most of the value theories are no longer applied since at least a half century and as they have been replaced by the neoclassical approach with the marginal costs, economists seem to have forgotten that monetary values are still always transformed values instead of “transformed air” as in the neoclassical approach.

The quantified ps(gg)|"with s=1,n don’t show the extreme volatility of the carbon prices as formed under the EU ETS system. Even for the power plants, with their volatile[17] prices ps – due to the impossibility for storing electricity – the quantified ps(gg) will be much more stable than in the EU ETS system. One has to realise that the EU ETS approach is only the second best and that carbon pricing under such conditions has no longer any link with a value theory. Carbon pricing as regenerated by the EU ETS became a pure question of speculation at stock exchange. A large part of what is paid goes now into the pockets of banks and brokers, without the smallest influence on real abatement. The major weak point in the EU ETS is that if the forecasts for production are too liberal (as was the case during the trial period) pricing carbon becomes an illusionary system of real abatement of greenhouse gases. That can explain why in 2007 and early 2008 allowances for carbon emission had no longer any price. For 2008 to 2012 het situation hardly changed. The only effect was, that due to grandfathering and windfall profits, power plants could increase their prices, as asked to the consumers, could be increased with the freely got allowances (grandfathering) without any evidence that there was a real abatement on greenhouse gases. Pricing carbon became a game for speculators, not interested in any abatement, but mainly interested in high speculative profits on the futures market.

On searching again a relationship between pricing of carbon and the exchange value of it, one finds the norm for the real cost of abatement. The difference between the asked abatement [ls  xs(gg)] and the realised abatement [ls  xrs(gg)] should become the ultimate basis for implementation of the carbon tax system. If the difference between the two is positive, that means that the realised abatement by was too low and that a carbon tax of p(gg). l. [(xs(gg) –  xrs(gg)] will to be paid to the controlling authority. Should the difference [(xs(gg) –  xrs(gg)] be negative – what means that the realised emissions reduction is larger than what was required – the sector s, realising such, will receive from the controlling authorities an amount equal to of ½p(gg). l. [(xs(gg) –  xrs(gg)]½ in absolute value.

Defenders of the EU ETS know very well that it is only the second best as compared with a carbon tax based upon a workable value theory. That the carbon tax was never accepted within the EU is explained as follows:

The European Commission proposed an EU-wide carbon energy tax in 1992 (…). Opposition to the proposal came from two powerful sources. First, some nations regard member state autonomy in taxation as a core value, not to be relinquished even if the environment would benefit. The view is that the power of taxation is so central to management of an economy that, if it is foregone, national autonomy will be compromised. While the carbon energy tax was presented, correctly, as a special case, it was regarded by some as the thin edge of the wedge, to be followed inevitably by other taxing initiatives that would incrementally leak fiscal autonomy from member states to the Commission. Because fiscal measures require unanimity, this strong ideological opposition proved impossible to overcome. Second, the main industry lobbies, represented most clearly by UNICE, also opposed the tax, with consistent and persistent case-making at the member state and the EU levels.”

In the end, there was some harmonisation with regard to the minimum rate of taxes and excise duties applicable to energy products. These moves codified what was already in place at the member state level, without any features specific to carbon or greenhouse gases. The opposition to the carbon energy tax proved too strong; the proposal was formally withdrawn in 1997.[18]

Recently Peter Newell and Matthew Paterson studied the possibility if capitalism can survive the challenge of global warming induced by emissions of greenhouse gases.[19] In a review of their book David Levy[20] added the following remark:

On opting only for the second best, not for a radical carbon tax, the question raised if capitalism can effectively respond to climate change being of another order than ozone depletion or acid rain. The development of modern industrial societies relied on fossil fuels as cheap source of energy for manufacturing, transportation and all kinds of energy systems. Carbon intensive lifestyle in the reach of billions of the world’s population, aspiring to own cars and electronic appliances, to live in spacious homes with heating and cooling, and to fly by big planes on vacation let forgot that capitalism had a pay a toll on it, that of global warming. When the Western world became aware of that toll, new rapid growth countries, such as China, Brazil and India, built their welfare upon the same carbon-intense lifestyle the wealthy Western world adopted decades earlier.”

Attempts of climate denial, pouring millions of dollars in lobbying efforts by fossil fuel industry, continue, lobbying against regulation. Forging carbon markets was eventually only possible in a capitalistic context after banks and brokers found a system to earn good money through the emissions reduction system. Going with carbon allowances to stock exchange – much less interested in the real abatement of greenhouse gases than in the real possibilities for speculation – was only possible when banks and brokers received guaranties that they could make enough profits through the system. That also explains why carbon tax was never accepted and why it was replaced by an ersatz mechanism as the EU ETS without clear guarantee that the system would effectively contribute to a serious reduction is the coal abatement. Earning money by grandfathering, through windfall profits, through commissions and speculation, was the lonely language carbon capitalists understood. Earning money in the name of carbon reduction was so much more important than the reduction itself.

————————————————————–


[1] In pure Marxist terms the owner of production means capitalizes machinal-, bestial- and natural energy as “constant capital” eC, but also human energy eH as variable capital.

[2] In economic theory conditions of unequal exchange were studied in depth by Alghieri Emmanuel. Cf. Emmanuel, Alghieri (1975), L’Échange inégal. Essai sur les Antagonismes dans les Rapports Économiques Internationaux. Paris : François Maspero.

[3] In 1970 Jean H.P. Paelinck, then of the University of Namur, published an interesting specification of the production function. On working no longer with L (labour) and K (capital) but with inputs of human energy and capitalised energy one comes to a function x(i) =k(i)  eH(i) exp[eH(i)/EC(i)]²  based upon the assumption that the labour productivity (x(i)/eH(i) is a function of the substitution possibility of human energy by capitalised energy, thus sHC. In that equation “exp” stands for the number = 2.71… On introducing a Paelinck variant of the energetic production function in [4] and [5] we obtain:

                  p(i) k(i)  eH(i) exp[eH(i)/eC(i)]²/ p(j) k(j)  eH(j) exp[eH(j)/eC(j)]² = θ(i) eH(i)/ θ(j) eH(j)                                                            [10b]

In this equation we can eliminate behind k(i) the factor eH(i) and behind  k(j) the factor eH(j) after dropping the ratio eH(i)/eH(j) on the right side of the equation. Moreover k(i) exp[eH(i)/eC(i)]² is nothing else than the labour productivity of i, abbreviation LP(i). On a simular way k(j) exp[eH(j)/eC(j)]² is nothing else than the labour productivity of j, abbreviation LP(j). Introduction in [10b] gives:

              p(i)LP(i)/p(j) LP(j) = θ(i)/ θ(j)                                                                                                                                                                                [10c]

The transformation coefficients of two commodities are in proportion to the prices of those commodities multiplied with the labour productivities in both firms. See also the equations [11] and [12]. The original production function of Paelinck in the wrong L & K terms  was presented at the September Program of the European Meeting in Brussels. Cf. Paelinck, Jean H.P. and J. Soenens (1970), “A Workable Putty-Soft Production Function for Belgium,  Institut für Statistik und Ökonometrie, Vol. 23 (Discussion Paper). Their  specification of the neoclassical production function became popular at the ULB, DULBEA and the Cahiers Économiques de Bruxelles after Françoise Thys-Clément used a Paelinck production function in her doctoral essay at the ULB in 1976.  Until today, always ignoring the results of the Cambridge-Cambridge controversies, several ULB economists continue working with the L & K variant of the Paelinck function. See also: Thys-Clément, Françoise (1976), Une Généralisation Dynamique de la Théorie de Tinbergen sur la Politique Économique, Brussels, Éditions de DULBEA (later also reprinted in Cahiers Économiques de Bruxelles).

[4] If on a market of perfect competition one producer reaches a higher labour productivity than all his competitors he can sell the same commodity at a lower price without making losses. So he can enforce all his competitors to lower also their price so that they are obliged to work with serious losses. That’s the way to expel them from the market.

[5] From the start of the Industrial Revolution until the end of the 19th century the British economy, swearing by the mechanical energy of steam machines was dominating the world economy. Towards the end of the 19th century the United States and Germany started replacing much of the mechanical energy from steam machines by mechanical energy from electrical power plants. It became the start from a new period of accumulation of capital and at the early beginning of the 20th century the United States, later followed by Germany, were the new leading economic powers in world economy. It was the end of a long period of equal exchange and the start of oligopoly capitalism.

[6] Marx, Karl (1867), Capital Volume 1, Harmondsworth: Penguin Books Ltd, 1976, pp. 150-151.

[7] Dobb, Maurice (1973), Theories of value and distribution since Adam Smith. Ideology and economic Theory, Cambridge: Cambridge University Press, p. 152. This survey is obviously inspired by Robinson, Joan (1956), Accumulation of Capital, London: Macmillan Press, 1969, 3rd edition [cf. Dobb (1973), pp. 233-234 and p. 234n]. None of the existing price theories – themselves the weak point in economic theory – can be applied on artificial commodities such as emission allowances.

[8] Ibidem, pp. 150-151.

[9] Ibidem, p. 152: “Just as Ricardo had done, Marx made it plain that he did not intend the ‘value of labour power’ in the sense of purely physical substrance: into the practical definition of what was deemed ‘necessary’ at any time and period there entered an ‘historical and moral element’.” This is a very weak argument to avoid working with energy quanta that let no room for the reproduction of e.g. 20,000 kW human energy, sold as labour force, by a much smaller amount for the reproduced labour force. An amount of kW can only be reproduced by at least kW. And that has nothing to do with ‘historical and moral elements’, at least not if one wants to develop an “objective scientific” value theory which Marx and the Marxians always pretended to exercise.

[10] That does not imply that under conditions of perfect competition the boss of a (small) firm – under perfect competition the majority of the firms are all small firms – and his helpers receive nothing. What they receive will just be the equivalent of an hour wage multiplied with the number of worked hours. Saying that (nearly) no profit is possible under conditions of perfect competition and of equal change, is saying nothing else than that no extra profit is possible (what is well the case on markets of imperfect competition).

[11] It’s obvious that the value of a produced good depends upon all efficient non-composite human energy in the production of that good, included the input of human energy in all parts of that good (e.g. raw materials) plus the wear and tear of the (constant) capital – i.e. the used machines – during the production of that good. That’s why Nobuo Okishio starts his presentation of the labour value theory with the formula ti = Σaij + τi (i = 1, …. ,n), where aij is the amount of jth goods, where τi is the direct labor input needed to produce one unit of ith goods, and where ti is the value op the good, expressed in time units. Cf. Okishio, Nobuo (1955), “Monopoly and the Rates of Profit”, Kobe University Economic Review, 1, pp.71–88. On working that way, one is obliged to use input-output tables in order to know the technological coefficients aij. That implies that the transformation process of values into prices will result in complicated matrix algebra. If one starts from the introduction of transformation coefficients θi  like I did one can avoid those complications. Concerning the calculation of θi  on a monopolistic market, one should consider that the revenue curve is intersected twice by the cost curve in the two break even points. For the calculation of θi  one has to work with the first break even point.

[12] By As we don’t mean the percentage of emission reduction, but the effective reduction of greenhouse gases emissions in (e.g.) million tonnes.

[13] Ellerman, A. Denny, Frank J. Convery and Christian de Perthuis (eds) (2010), Pricing Carbon. The European Union Emissions Trading Scheme, Cambridge: Cambridge University Press, p. 162 give an enumeration of the sectors considered by the ETS proxy.

[14] as  is  the emission rate per unit of output for sector s.  If = Portland cement (Pc), aPc  is  0.7 as the production of one tonne of cement emits 0.7 tonne CO2. For some sectors, e.g. the iron and steel production, one has to make a distinction followed the used production method. A typical Western BOF steel mill (BOF = basic oxygen furnace) emits 1.95 t CO2 per tonne of semi-finished steel (asBOF  = 1.95), whilst electric arc furnace plants emits 0.23 t CO2 per tonne of semi-finished steel (aselecfu  = 0.23). For primary aluminium production one notes 2.4 to 2.8 23 t CO2 per tonne of aluminium  (2.4 < aalum < 2.8).  For oil refining a oscillates between 0.078 and 0.083 t CO2 per tonne of refined oil on using the simple hydroskimming (HSK) method. On combining HSK with such techniques as visbreaking, fluid catalytic cracking, etc. a can reach between 0.129 to 0.154 t CO2 per tonne of refined oil. Sources: Ellerman, A. Denny, Frank J. Convery and Christian de Perthuis (eds) (2010), op.cit., p. 196 (cement), p. 205 (iron and steel), p. 220 (oil refinery) and p. 225-226 (aluminium). The most intensive CO2 intensive of all energy forms produced by the power plants is electricityCf. Enevoldsen, Martin  (2005),  The Theory of Environmental Agreements and Taxes. CO2 Policy Performance in Comparative Perspective, Cheltenham/ UK/Northampton, MA, ISA: Edward Elgar, p. 178. Here there is an extra problem, known as  “abatement through fuel-switching” , cf. Delarue E., A. Denny Ellerman and  W. D’haeseleer (2008), Short-term CO2 Abatement in the European Power Sector, Working paper n° 2008-008, Boston: Center for Energy and Environmental Policy Research, MIT. Depending upon the gas/coal ratio, and depending upon the power output in GWatt the CO2 emission abatement can vary between 0 to 29 kilo tonnes/hour.

[15] That is certainly NOT the simple input of human energy used by s, but also the amount of human energy used by all other factories haven delivered commodities to s.Quantification of eH will always be based upon the technical coefficients of input-output tables. Moreover the human energy necessary for the reproduction of the capital use, both by  and by the subcontractors must also be considered.

[16] It concerns a topic having been studied in depth by Sraffa. Cf. Sraffa, Piero (1960), Production of Commodities by Means of Commodities. Prelude to a Critique of Economic Theory, Cambridge: Cambridge University Press, 1975.pp. 81-87.

[17] Ellerman, A. Denny, Frank J. Convery and Christian de Perthuis (eds) (2010), op.cit. p. 174: “Fuel-switching refers to the ability of power plants with lower emission rates per unit of output, typically fired by natural gas, to substitute within the electrical grid for higher-emitting power plants, typically coal-fired. Electricity is produced by a number of plants, all of which generate electricity and provide varying amounts of power to the electrical grid, from which customers draw the electricity they consume. The amount of electricity generated and supplied by a particular plant depends on the load, or demand, which varies considerably on a daily, weekly and annual basis, as well as on the relative cost of generation at that plant.”

[18] Ellerman, A. Denny, Frank J. Convery and Christian de Perthuis (eds) (2010), op.cit. p. 16.

[19] Newell, Peter and Matthew Paterson (2010), Climate Capitalism. Global Warming and the Transformation of the Global Economy, Cambridge; Cambridge University Press.

[20] Levy, David (2010), “Review of Climate Capitalism: Global Warming and the Transformation of the Global Economy by drs. Peter Newell and Matthew Paterson”, URL: http://sustainablebusinessforum.com/davidlevy/49470/promise-carbon-capitalism.

Share

By

HOE BANKEN STEEDS DIEPERE CRISES VEROORZAKEN

Posted on 78 min read 250 views

Dit is het tweede hoofdstuk van mijn nieuwe boek over de huidige crisis. De hele westerse hoogindustriële samenleving worstelt met een gigantisch probleem, dat van excessieve schulden die steeds zwaarder gaan wegen op de schouders van overheid (publieke schulden) en van bedrijven en gezinnen (private schulden). Sinds de afschaffing van de gouden standaard in 1971 zijn deviezen eigenlijk door niets anders meer gedekt dan door andere deviezen, maar uiteindelijk door niets. Het hele monetair systeem, waarbij private banken schier ongebreideld aan geldschepping kunnen doen kraakt in al zijn voegen. Van alle zeepbellen waarop de huidige westerse economieën zitten is dit uitgesproken de gevaarlijkste. Eigenlijk mogen we er gewoon niet aan denken wat er gebeurt de dag dat deze "bubble" uiteenspat. Maar economen moeten er wel aan denken, toch als ze het ernstig menen met hun wetenschap. Wat volgt is de tekst van het tweede hoofdstuk van het boek dat ik momenteel aan het schrijven ben over de economische crisis in de westerse wereld. Ik zal het gebruiken als discussiedocument bij de les die ik tweemaal zal geven, een eerste keer op 18 januari en een tweede keer op 25 januari. Mocht ook jij die les willen volgen stuur me dan een facebook mail. – Jean Pierre van Rossem.

HOOFDSTUK 2: SCHULDEN & ECONOMISCHE DEPRESSIE

Neen, de huidige crisis is niet de schuld van onoplettende of incompetente politici, de crisis is de schuld van de leepste jongens van Goldman Sachs en van de angsthazen aan het hoofd van zulke centrale banken als de FED en de ECB. Die laatste waren het die, uit schrik voor inflatie, de interesten veel te lang kunstmatig laag hielden waardoor een onvoorstelbare kredietexpansie op gang kwam. Hierbij werden grote fouten gemaakt door een resem van verkeerde beleggingen en misinvesteringen. In feite hebben bankiers ervoor gezorgd dat de westerse economie overspoeld werd met schulden en een gevaarlijk groeipad ging vertonen. Kortom we groeiden op toenemende schulden en met uitzondering van enkele door de mainstream economics miskende economen van de Oostenrijkse School, stak niemand het vingertje op dat zowat de complete westerse economie gevaarlijk dobberde op een resem luchtbellen die ieder ogenblik uiteen konden spatten. Dat die luchtbellen moesten ontploffen – wat in de nazomer van 2008 gebeurde – zagen blijkbaar enkel die Oostenrijkse geëx­communi­ceerden uit de gevestigde economische wetenschap helder aankomen.

Conjuncturele en Structurele crises

Tot de Grote Depressie van de jaren dertig gingen economen ervan uit dat langdurig economische crises met torenhoge werkloosheid en met een onbeduidende tot negatieve economische groei onmogelijk waren. Zulke persisterende crises noemen we structurele crises (het zijn crises die wel een dozijn jaar of langer aanhouden en waartussen lange periodes liggen), en dit in tegenstelling tot kortstondige conjuncturele crises, cycli van vijf tot zeven jaar, die geregeld terugkomen en dus recurrent van aard zijn.

Tot voor de Grote Depressie (1929-1945), en dit al sinds de (eerste) industriële omwenteling op het einde van de 18de eeuw, kwam de overheid vrijwel niet anders tussen in het economische leven dan om allerhande taksen te innen. Er heerste een klimaat van laissez-faire. Om dit te rechtvaardigen greep men terug naar de fameuze Wet van Say van 1803 (synoniemen: la loi des débouchées, de wet van de afzetwegen). Jean-Baptiste Say was een Frans econoom, zakenman en politicus, die wel eens de grondlegger van de staathuishoudkunde wordt genoemd. De politiek hoeft helemaal niet in te grijpen in het economisch leven want – zoals de grondlegger van de economie, Adam Smith, stelde – zorgt the invisible hand er altijd wel voor dat een verstoord evenwicht tussen vraag en aanbod snel weer wordt hersteld. Say gaat daarop verder en stelt dat de productie de motor van de economie is: zonder productie is consumptie onmogelijk. Wat geproduceerd wordt vindt altijd wel een afnemer. Onderconsumptie is volgens Say onmogelijk, omdat, als het aanbod hoger dan de vraag is, de prijzen moeten dalen, zodat de in prijs gedaalde waren altijd wel een afnemer zullen vinden. Algemeen evenwicht is volgens hem de algemene regel en economische crises zijn slechts tijdelijke verstoringen van het marktevenwicht. Later werd zijn wet van de afzetwegen door meerdere economen herleid tot de simpele zin dat het aanbod zijn eigen vraag schept. Centraal in het werk van Say staat zijn overtuiging dat een economische recessie onmogelijk het gevolg kan zijn door een gebrek aan vraag of door een gebrek aan geld. In het voetspoor van Say ontwikkelden de klassieke economen[1] een theorie volgens welke langdurige crises dus onmogelijk zijn; conjuncturele crises zijn volgens hen nooit meer dan een tijdelijke verstoring van het algemeen evenwicht tussen vraag en aanbod. Ze verdwijnen vanzelf zonder dat de overheid zou moeten ingrijpen.

  1. Eerste structurele crisis (1873-1896)

Tot vóór de Long Depression hield de klassieke economie vol dat langdurige crises onmogelijk waren. Want ook als het aanbod veel groter was dan de vraag, zo dachten zij, kon die situatie onmogelijk lang duren, ook niet als de werkloosheid alarmerend steeg. De prijzen moesten dan desnoods onbeperkt dalen, terwijl er een natuurlijke rem bestond op het dalen van de lonen: die konden immers niet onder het levensminimum dalen, terwijl er op het dalen van de prijzen geen rem stond. Of nog, de prijzen zouden dan onder de lonen door zakken, waardoor de reële koopkracht weer moest stijgen zodat de vraag kon toenemen tot vraag en aanbod weer in evenwicht waren.

Maar tijdens de Long Depression gebeurde niets van dit alles. In de West-Europa begon de eerste persisterende crisis uit de geschiedenis – een structurele crisis – met de beurskrach van Wenen op vrijdag 9 mei 1873, één week na de opening van de wereldtentoonstelling in het Prater Park. In het Oostenrijk-Hongarije van de fiere Habsburgers kende de vastgoedmarkt een nooit eerder geziene boom. De prijzen van de immobiliën verdubbelden er in enkele maanden tijd. In de loop van 1872 zochten niet minder dan 376 nieuwe vennootschappen, met een gezamenlijk kapitaal van 2 miljard gulden. Tijdens de eerste trimester van 1873 kwamen daar nog eens 700 miljoen kapitaal bij. In de euforie van de wereldtentoonstelling die de grandeur van Oostenrijk-Hongarije in de verf moest zetten keerden bedrijven dividenden uit van 10 tot 15 procent. Banken deden daar nog een schep bovenop en hielden het op 14 tot 22 procent, één enkele bank, de Vienner Bankverein zelfs van 80 %. De immobiliënprijzen waren ondertussen verdrievoudigd. De wereldtentoonstelling met 53.000 exposanten was de grootste uit de geschiedenis. Oostenrijk-Hongarije mocht de eerste industriële revolutie van de jaren 1780 dan wel hebben gemist, het probeerde zijn schade in te halen bij de tweede industriële omwenteling van de jaren 1850-1870. Als de immobiliënprijzen op 8 mei opeens in elkaar klappen gaan meer dan 100 banken in Oostenrijk-Hongarije een dag later failliet. Een poging om banken tot 15 mei te laten putten uit een noodfonds van 20 miljoen gulden mislukt: zelfs de prestigieuze Kredit Anstalt van de Rotschilds gaat over de kop. Meer dan duizend beleggers plegen zelfmoord. De beurskrach verspreidt zich vliegensvlug over Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië. Banken lenen plots geen cent meer aan elkaar. De interbancaire markt in West-Europa gaat volledig op slot.

Op 18 september 1873, Black Thursday, breekt paniek uit op Wall Street als de zakenbank Jay Cooke & Co, die vooral de aanleg van nieuwe spoorlijnen financierde, over de kop gaat. Daarop wordt de beurs van Wall Street tien dagen lang gesloten. Het wordt het begin van 65 maanden waarin zowel prijzen, lonen en economische groei onophoudelijk zakken. In heel de States zakten de lonen met een kwart, in Pennsylvania zelfs met de helft. In de periode 1873-1879 gaan in de Verenigde Staten liefst 18.000 ondernemingen op de fles, daaronder een paar honderd banken. De werkloosheid bereikt pieken van 8,5 tot 14 procent. De langdurige deflatie in de Verenigde Staten werd zeker in de hand gewerkt door de Coinage Act van 12 februari 1873. Tijdens de Burgeroorlog (1861-1865) werd de gouden standaard immers afgeschaft. Daarna heerste een periode van bimetallisme waarbij zilver en goud werden gebruikt voor de munten. Om de weg weer vrij te maken voor de gouden standaard[2] besliste het Congres dus het zilver te demonetariseren, wat leidde tot een deflatie van de zilveren dollar die gebruikt werd in de internationale handel en door de farmers. De deflatie werd trouwens nog in de hand gewerkt door nieuwe ontdekkingen van zilvermijnen.

In afwezigheid van officieel statistisch materiaal is de Long Depression door economische historici wel fel overdreven. Eigenlijk waren de Britten, die tot dan wereldleider waren inzake industriële productie, er het ergste slachtoffer van. Tegen 1896 hadden ze hun economische hegemonie verloren aan de Amerikanen. In de Verenigde Staten hernam de economische groei al vanaf 1879 als vanher om tussen 1873 en 1890 gemiddeld 4,7 procent per jaar te halen, tegen 6,2 procent in de periode 1850-1873. In Groot-Brittannië was de crisis veel scherper. Daar zakte de economische groei terug tot 1,7 procent per jaar tegen 3,1 procent in de periode 1850-1873.

Waar de klassieke economen, die nog macro-economisch dachten, de Long Depression onmogelijk konden verklaren, moest weinig heil worden verwacht van de neoklassieke economie[3] die vanaf 1871 de klassieke economie volledig had overvleugeld. Die neoklassieke economie was inderdaad overwegend micro-economisch en ontwikkelde geen eigen conjunctuureconomie (tenzij misschien een hilarische, als verdedigd door William Stanley Jevons, als zouden economische crises verband houden met het recurrent terugkeren van zonnevlekken). Omdat ze noch de invisible hand theorie van Adam Smith, noch de Wet van Say, weigerde op te geven, kon ze enkel concluderen (1) dat de onzichtbare hand wel bijzonder traag tewerk ging om het verloren algemeen evenwicht te herstellen en (2) dat de flexibiliteit waarmee lonen en prijzen zich aan de situatie aanpasten met de tijd verstoord was geraakt. Van enige mate van onderconsumptie wilden zij, geheel in de lijn van Say, nog steeds niet weten. Zo er al een verklaring was kon het niet anders of een geheel van exogene factoren, buiten de economie, had de theorie parten gespeeld. Niet de theorie was fout, wel de buiten-economische gebeurtenissen waren fout.

  1. Tweede structurele crisis (1929-1945)

Maar als in 1929 een tweede langdurige structurele crisis losbarst, de Grote Depressie (1929-1945) vindt de Britse econoom John Maynard Keynes (1883-1946) dat het nu wel welletjes is geweest met de verheerlijking van het laissez-faire. Ook nu begon de crisis met een beurskrach, die van Wall Street op Zwarte Donderdag 24 oktober 1929. In minder dan geen tijd trof de crisis de hele kapitalistische wereld met nooit eerder geziene werkloosheidscijfers en met een two digit negatieve economische groei bij ineenstorting van de prijzen. Nog duidelijker dan bij de vorige structurele crisis was de vaststelling dat algemeen evenwicht bij volledige tewerkstelling een onrealistisch ideaalbeeld was. Dat werkte Keynes, een econoom die op de beurs goed had geboerd, zozeer op de zenuwen dat hij in 1936 niet zonder woede zijn General Theory on Employment, Interest and Money publiceerde en er de vloer aanveegde met de op de Wet van Say en met diens van Adam Smith geërfde invisible hand. Het werd het begin van een daverende revolutie in het economisch denken – van het keynesianisme. Hij toonde aan dat een situatie van algemeen evenwicht, waarbij de totale vraag van een economie gelijk was aan het totale aanbod geen garantie was voor volledige tewerkstelling. Ook maakte hij duidelijk dat onderconsumptie perfect mogelijk was als in een klimaat van pessimistische vooruitzichten te veel geld werd gespaard waardoor de consumptie achterop hinkte op de productie. Dan ging overproductie gepaard met niet gerealiseerde winsten. Omgekeerd was volkomen werkgelegenheid geen garantie voor algemeen evenwicht, dus onvoldoende opdat de totale vraag van een economie gelijk zou zijn aan het totale aanbod.

De General Theory bepleitte het einde van het laissez-faire en een ingrijpen van de overheid in het economisch leven.  Keynes kwam tot de conclusie dat een politiek van deficit spending in tijden van crisis de te begane weg was. In tijden van grote werkloosheid en onderconsumptie – en enkel dan – moest de overheid de subsidies aan het bedrijfsleven optrekken en grote openbare werken laten uitvoeren die met geleend geld konden worden gefinancierd. Hierdoor moest de werkloosheid dalen en zou de private koopkracht stijgen, waardoor de onderconsumptie kon worden gestopt en de geaggregeerde vraag weer gelijk kon zijn aan het geaggregeerde aanbod. Ook moest de rentevoet in tijden van laagconjunctuur worden verlaagd om arbeid scheppende extra investeringen mogelijk te maken. Hoewel Keynes geen socialist was – hij behoorde tot de Engelse avant-garde van artiesten en intellectuelen – werden zijn ideeën met graagte overgenomen door socialisten die ook tijdens de hoogconjunctuur doorgin­gen met het financieren van de economie met schulden.

De Grote Depressie zorgde voor een ommekeer in het economisch denken. Crises werden niet langer aan exogene factoren toegeschreven, maar, in navolging van Keynes, vanaf nu endogeen verklaard, dus uitgelegd aan de hand van louter economische factoren. Dit deden ook de Brit Irving Fisher met zijn debt deflation theory in 1933 en de Amerikaan Hyman Minsky met zijn financiële instabiliteits-hypothese in 1964 en later.

In zijn schulddeflatietheorie start Irving Fisher (1867-1947) zijn conjunctuurcyclus met de neue Kombinationen van die andere Oostenrijker, Joseph A. Schumpeter. Die zag in technologische innovatie de hoofdoorzaak voor een (nieuwe) hoogconjunctuur. Nieuwe uitvin­dingen wekken volgens Fisher hoge winstverwachtingen op wat aanleiding geeft tot grotere kredietopnames waarbij nieuwe ondernemingen zich serieus in de schulden steken. In de algemene euforie zullen beleggers proberen een graantje mee te pikken nu de winstverwachtingen hoog zijn, wat leidt tot koersstijgingen op de beurs. Steeds nieuwe investeringen in nieuwe techno­logieën leiden evenwel tot zo’n opeenstapeling van schulden en risico’s, dat op een gegeven ogenblik de winstverwachtingen niet meer waar kunnen worden gemaakt, zodat de beurskoersen op een gegeven ogenblik wel moeten dalen. Schulden gaan steeds zwaarder wegen en dwingen financiers en beleggers ertoe activa te verkopen in wat Fisher distress selling noemt.

Dit leidt tot een stijging van de faillissementen en tot een stijging van de werkloosheid. De productie daalt dan en de afbouw van de schulden leidt tot deflatie (daling van het algemeen prijspeil) waardoor debiteuren hun nominale schuld in reële waarde zien stijgen. Het risico dat crediteuren hun tegoeden niet geheel zullen zien terugbetaald worden doet het aantal kredietverstrekkingen dalen, waardoor de economie achteruit boert. Om de neergaande conjuncturele fase te verkorten stelt Fisher voor dat tijdens de opgaande fase de kredietbloei wordt afgeremd door de rente hoog te houden. Hier moeten centrale banken en overheid open-marktaankopen doen om te vermijden dat de prijzen in de neergaande fase al te zeer zullen dalen. Bemerk dat dit soort beleid wel kon helpen tijdens de Grote Depressie toen er een algemene ineenstorting van de prijzen was, maar niet tijdens de huidige crisis, waar met uitzondering van de instorting van de prijzen op de vastgoed­markt (Verenigde Staten, Ierland, Spanje), deflatie tot eind 2014 uitbleef.

Hyman Minsky (1919-1996) heeft in een lange stroom van tijdschriftartikelen, verspreid over dertig jaar, aangetoond dat er in de kapitalistische wereld een sterke tendens tot financiële instabiliteit bestaat. Prijzen van financiële activa en van vastgoed lopen er snel uit de pas in vergelijking met prijzen van de lopende productie en dreigen veel sneller in mekaar te klappen. Hij maakt een onderscheid tussen drie soorten finance units: (i) de hedge finance units die ten allen tijde kunnen voldoen aan hun schuldverplichtingen; (ii) de speculative finance units die risico’s nemen en de kans vertonen niet aan hun schuldverplichtingen te kunnen voldoen; en (iii) de ponzi finance units die hun eerdere schulden enkel betalen met het maken van nieuwe en hogere schulden. Minsky start zijn conjunctuurcyclus bij de periode waar kortlopend krediet goedkoop is en er volop wordt geïnvesteerd. Hier domineren de hedge finance units. De hoge winstverwachtingen van de onderne­mingen die een beroep kunnen doen op goedkoop krediet zetten de hedge finance units ertoe aan over te gaan op speculatieve investeringen en hiervoor geld te gaan lenen, zeker nu de rente laag is. De schuld/inkomen ratio loopt hierdoor op waardoor de financiële structuur verschuift van robuust naar fragiel. Steeds meer units worden hierbij afhankelijk van herfinanciering en het aantal ponzi units neemt toe. De toenemende krediet­verlening doet de risicograad voor het uitlenen van geld stijgen, waardoor de rente uiteindelijk zal stijgen. Leners en uitleners worden hierbij voorzichtiger: de vraag naar kapitaalgoederen daalt, de verkopen van ondernemingen net zozeer, waardoor de speculatieve beleggers en de ponzi beleggers verplicht worden hun activa met verlies te liquideren door wat Fisher noemde “distress selling”. Dit leidt uiteindelijk tot een kredietcrisis waarbij banken veel minder vlug consump­tief krediet zullen verstrekken wat dan weer bijdraagt tot een depressie. De uitweg die Minsky voorstelt komt erop neer dat de centrale bank als “lender of last resort” een eensklapse afbouw van de schulden voorkomt door liquiditeiten in het systeem te pompen. De prijs die men hiervoor betaalt is dan wel inflatie. In het licht van de huidige crisis is zoiets eerder wishful thinking. Financiële instellingen, in de ban van de hefboomeffecten van de nieuwe kredietderivaten, verloren zulke massale hoeveelheid aan liquiditeiten dat geen enkele centrale bank die nog kan bijpassen.

  1. De derde structurele crisis (1973-1988)

In tegenstelling tot de twee vorige structurele crises begon de Petroleumcrisis eind oktober 1973 – althans op het eerste zicht – niet met een financiële crisis, wel met een beslissing van de OPEC om een handelsembargo op ruwe aardolie in te stellen. Die beslissing was bedoeld als sanctie van de Arabische landen tegen de Verenigde Staten en zijn Europese bondgenoten omwille van hun onvoorwaardelijke steun aan Israël bij de Yom Kippur Oorlog van oktober 1973. Het gevolg was een verviervoudiging van de prijs van de ruwe aardolie tussen eind oktober en maart 1974, wanneer het embargo werd opgeheven. De prijs steeg inderdaad van drie dollar per barrel tot 12 dollar. In werkelijkheid ging er wel een beurscrisis de petroleumcrisis vooraf. Die begon in op 11 januari 1973 en duurde tot 6 december 1974. Daarbij zakte de voornaamste beursindex, de Dow Jones index, met liefst 45 procent. De beurscrisis was een gevolg van de eenzijdige afschaffing op 15 augustus 1971 van de gouden standaard door president Nixon. Het betekende het einde van Bretton Woods, een akkoord van juli 1944 tussen 44 (hoofdzakelijk industriële) staten om de wisselkoers van hun munt te laten afhangen van de inwisselbaarheid tegen goud. Veel landen waren hierdoor verplicht hun wisselkoers tussen bepaalde grenzen – de muntslang – te laten zweven. Hierdoor werd de dollar een fiat currency en was het wereldwijde monetair systeem gebaseerd op wat men de petrodollar is gaan noemen.

Veel wijst er op dat de Petroleumcrisis, die zowat alle westerse landen trof – maar niet het op het westen gerichte Japan – er ook zou zijn gekomen zonder de beslissing Bretton Woods op te heffen en zonder het handelsembargo op petroleumproducten van de OPEC. In die zin is de benaming “Petroleumcrisis” dus misleidend. In werkelijkheid hadden de golden sixties gezorgd voor een nooit eerder geziene boom in de westerse wereld waarbij de economische groei en de welvaart spectaculair toenam. Bedrijven werden steeds groter waardoor de schaalvoordelen, geheel conform met de economische theorie over de stijgende en dalende schaalmeeropbrengsten, afnamen naarmate ze groter werden. Hierdoor ontstond in de grootste bedrijven, die onvoldoende hadden geïnnoveerd, een ongunstige kostenstructuur waarbij de schaalelasticiteit van de economie als geheel onder de fatale 1 zakte. Eigenlijk is de schaalelasticiteit de verhouding tussen een wijziging van de output veroorzaakt door een wijziging van de input. Als in een productieproces 10 procent meer wordt ingezet in arbeid en kapitaal en de output stijgt met 12 procent, dan geniet de producent van positieve schaalvoordelen. De schaalelasticiteit is dan 1,2 en bij ongewijzigde prijzen stijgt zijn winst met 20 procent. Gebeurt iets anders, en wordt een verhoging van de input met 10 procent gevolgd door een verhoging van de output met slechts 8,5 procent, dan is de schaalelasticiteit 0,85 en daalt, bij ongewijzigde prijzen, zijn winst met 15 procent. De schaalelasticiteit is dus een maatstaf voor de graad van gezondheid van de kostenstructuur. Dit micro-economisch begrip kan worden uitgebreid tot de situatie van een heel land door de wijziging van de (reële, niet de nominale) geaggregeerde output (dus de turn over) te vergelijken met de wijziging in de geaggregeerde input (de totale loonsom plus de bruto investeringen, eveneens uitgedrukt in reële grootheden).

Geconfronteerd met een structureel verslechterde kostenstructuur poogden ondernemers de erosie van hun winsten veilig te stellen door de prijs van hun output op te trekken. Hierdoor ontstond een merkwaardig fenomeen, namelijk van stagflatie, dus van hoge inflatie bij structurele overproductie. Gedurende vrijwel de hele periode 1974-1980 noteerde men overal een two digit inflation bij een economische groei van quasi nihil of nog minder. Die hoge inflatie deed ook de rentevoeten alarmerend oplopen waardoor investeren peperduur werd. Noch de drie scholen van Keynesiaanse economie[4], noch de nieuwe neoklassieke school[5] hadden een verklaring voor het fenomeen van stagflatie omdat ze weigerden het begrip schaalelasticiteit in hun analyse te betrekken.

De petroleumcrisis die in de meeste landen bleef aanslepen tot halverwege de jaren 1980 was in die zin uitzonderlijk dat ze volgde op een periode van meer dan tien jaar ononderbroken hoge economische groei. Ze was van een heel ander type dan de Lange Depressie of de Grote Depressie, waarvoor Keynes dacht een medicijn te hebben gevonden. Toen allerlei regeringen dachten de crisis te kunnen bestrijden met Keynesiaanse recepten liep het compleet fout omdat de onder 1 gezakte schaalelasticiteit ondernemers dwong hun prijzen op te drijven om bij verslechterde kostenstructuur hun winsten veilig te stellen. De stagflatie ging immers gepaard met torenhoge rentevoeten waarbij een politiek van deficit spending zelfmoord was. Kleine landen met een hoge exportafhankelijkheid kwamen in grote moeilijkheden omdat ze hun overproductie moesten afzetten op de wereldmarkt en er moesten concurreren op basis van arbeidsproductiviteit. Daarbij moesten ze continu peperdure vervangingsinvesteringen doen waarbij – paradox – de beterkope arbeidskracht vervangen diende te worden door schier onbetaalbare machinekracht. Grote landen met een veel lagere exportquote konden zich veroorloven zulke investeringen nièt te doen en in te zetten op de aanbodeconomie zoals in de Verenigde Staten gebeurde onder Ronald Reagan (men sprak trouwens van de reaganomics) of in het Verenigd Koninkrijk onder Margaret Tatcher. Zij kwamen dan ook vroeger uit de crisis dan landen die het hielden op een Keynesiaans soelaas.

Tijdens de petroleumcrisis werd Lord Keynes, vooral door de socialisten, met vlag en wimpel als de redder des vaderlands binnengehaald, neen, als de redder van alle vaderlanden. Maar toen de crisis bleef duren werd veel te laat duidelijk dat het keynesiaanse wonderzalfje van de openbare werken voor dat soort structurele crisis ongeschikt was.[6] Socialisten van allerlei allooi stopten het bedrijfsleven pakken geld toe (men denke te onzent aan de fameuze Plan-De Wulf toen ondernemers voor iedere frank nieuwe investeringen door de overheid een frank subsidies werden toegestopt), geld dat niet werd gebruikt om nieuwe arbeidsplaatsen (dus meer private koopkracht) te scheppen (en de overproductie te laten verdwijnen), maar wel om te bezuinigen op arbeidskracht (waardoor de private koopkracht verder werd uitgehold, de werkloosheid steeg en de overproductie nog toenam). Alles wat men met het verstorven anticrisis medicijn van Keynes bereikte – daarover had ik het in 1978 al in Knack in mijn tiendelige reeks over de petroleumcrisis – was dat de gehele westerse economie de kramp kreeg en in een eindeloze reeks neerwaartse spiralen terecht kwam.

  1. De vierde structurele crisis (2008-nu)

Van de huidige crisis, die we best de Schulden Depressie kunnen noemen, is de vierde structurele crisis van de westerse economie. Daarvan wordt algemeen aangenomen dat ze begon met het failliet van de Amerikaanse zakenbank Lehman Brothers op 14 september 2008. Maar eigenlijk begon ze al eerder. Sterk gelijkend op het begin van de Lange Depressie in 1873 begon ze met een crisis in de immobiliënsector, nu niet in Europa maar wel in de Verenigde Staten. Daar had de FED de rente artificieel laag gehouden waardoor niet enkel een resem misinvesteringen werd gedaan, maar waardoor ook een onstabiel groeipad van de economie ontstond. Het schiep de fameuze luchtbellen waaraan de gevestigde economie geen enkele aandacht schonk. Eén van die fatale luchtbellen was de Amerikaanse vastgoedsector. Banken pakten er uit met hun zgn. ninja kredieten waarbij mensen zonder inkomen, zonder job, zonder vermogen, gelokt door de lage rente, huizen als broodjes kochten. Dit deed de vastgoedprijzen de pan uit swingen. Hypothecaire debiteuren konden hun kredieten enkel aflossen door aangekocht vastgoed tegen een veel hogere prijs te verkopen dan de aankoopwaarde. De fameuze sky was inderdaad de limit, en banken bleven maar goedkope kredieten verstrekken alsof er aan de prijs­stij­gin­gen voor vastgoed nooit een einde kon komen. Dat de vastgoedbubbel gedoemd was om uiteen te spatten leek achteraf gemakkelijk te voorspellen, maar uiteindelijk waren het Peter Schiff en Ron Paul, allebei aanhangers van de door de gevestigde economie volslagen genegeerde Oostenrijkse School, die in 2007 het uiteenspatten van de Amerikaanse vastgoed­bubbel keurig voorspelden.

De explosie van die vastgoedbubbel in de States, kort daarna gevolgd door die in Ierland en Spanje, liet investeringsbanken – in tegenstelling tot de minder gehaaide spaarbanken – beseffen dat een groot deel van hun hypothecaire kredieten dubieus waren geworden. Gladde jongens bij Goldman Sachs, in Europa vrij snel gevolgd door die van de Deutsche Bank, creëerden zogenaamd gestructureerde kredieten die, via ingenieuze hefboomeffecten, woekerwinsten lieten verwachten. In werkelijkheid verpakten Goldman Sachs en Deutsche Bank tienduizenden tot honderdduizenden dubieuze woonkredieten in wat Collateral Debt Obligations werd genoemd, en waarvan credit default swaps moesten laten geloven dat de risico’s zorgvuldig waren afgedekt. De nieuwe graaicultuur en hebzucht van relatief onervaren bankiers aan het hoofd van Europese spaarbanken stortte hen in een ware aankoopwoede van wat zeer snel sterk verlieslatende rommelkredieten bleken te zijn. Nieuwe Amerikaanse bankproducten waren weinig meer dan toxische kredieten die in Europa gretig werden opgekocht, waardoor die op die manier een algemene bankencrisis uit de Verenigde Staten importeerden.

Met (i) het introduceren van innoverende toxische bankproducten die enorme hefboom­effecten lieten verhopen [zoals de CDO’s (collateral debt obligations, de latere zgn. rommelkredieten), zoals de SIV’s (structured investment vehicles), zoals de CDS’s (credit default swaps)]; (ii) met de invoering van de Amerikaanse ninja credits (no income, no job, no assets, maar wel hypothecaire leningen) en (iii) met de opheffing van het onderscheid tussen private (spaar)banken en investerings­banken door de afschaffing van de Glass-Steagall Act[7], ontstond er in de westerse wereld dus een luchtbellen economie die in minder dan een lustrum tijd ontaardde in wat men snel het casinokapitalis­me zou gaan noemen. Gedreven door hebzucht pepten CEO’s van financiële en niet-financiële ondernemingen, hierbij geholpen door de op winst beluste speculatieve beleggers, de koersen van hun aandelen artificieel op. De beurskoersen van banken en verzekeringsmaat­schappijen, maar ook die van de meeste andere beursgenoteerde onder­nemingen, lagen mijlenver boven de intrinsieke waarde van diezelfde ondernemingen. Onvermij­delijk moest er een tijdstip komen waar die door hebzucht opgepepte aandelen­koersen – luchtbellen koersen! – uiteen moesten spatten. Dit gebeurde al in de zomer van 2007 toen in de Verenigde Staten een crisis uitbrak rond Fanny Mae en Freddy Mac, crisis die bleef voortwoekeren om in de nazomer van 2008, toen de systeembank Lehman Brothers over de kop ging, zijn dieptepunt te bereiken. In zijn val sleurde Lehman Brothers wereldwijd een reeks andere banken mee.

Het werd het begin van een bankencrisis in de hele westerse wereld met dezelfde allures als die van 1873 en 1929. Banken vertrouwden elkaar niet meer en de interbancaire markt viel opeens droog. Overal gingen banken over de kop. Toen ze te groot waren om failliet te laten gaan (too big to fail) werden de kolossale verliezen op kap van de belastingbetaler gecollectiviseerd, terwijl de winsten voorheen altijd werden geprivatiseerd. Het redden van de banken op de kap van de belastingbetaler – nadat duidelijk was geworden dat de uit de Verenigde Staten overgewaaide CDO’s erg verlieslatend waren – zorgde voor een forse verhoging van de bruto staatsschuld en voor een injectie van vers geld in de getroffen economieën. Veel geplande investeringen konden gewoon niet doorgaan omdat banken de kredietkraan noodgedwongen moesten dichtdraaien. Hierdoor ontstond een algemeen klimaat van wantrouwen. Het consumenten- en producenten vertrouwen in de economie daalde zienderogen wat leidde tot wat Keynes destijds al animal spirits had genoemd. Consumenten stelden aankopen van duurzame consumptiegoederen uit. De nieuwe auto, het nieuwe salon, de nieuwe keuken: die konden later ook nog wel worden gekocht, als de slechte tijd voorbij was. Hierdoor worstelden producenten opnieuw met onverkochte voorraden, met overproductie.  Over de hele wereld werd dit het begin van een groeivertraging zoals blijkt uit grafiek 6. De terugval was het grootst in landen met een hoge industriële productie. In de zogenaamde BRICK landen (Brazilië, Rusland, India, China, Korea) viel de terugval eerder mee. Berekend als een (rekenkundig) gemiddelde van de groeivoeten van het BBP als gepubliceerd door de OESO (de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, OCDE in het Engels) noteerde men voor die landen volgende groeivertraging in de periode 2008-2014:

  • China          8,73 procent groei tegen          10,45 procent (1993-2007)
  • India           6,45 procent groei tegen 7,97 procent (1992-2007)
  • Korea          3,21 procent groei tegen 5,68 procent (1996-2007)
  • Brazilië        2,71 procent groei tegen 2,91 procent (1997-2007)
  • Rusland       1,61 procent groei tegen 4,68 procent (1996-2007).

In West-Europa kon enkel Polen behoorlijk stand houden met een groei van 3,11 procent (tegen 4,62 procent voorheen). Dramatisch was de ontwikkeling in wat men achteraf de PIIGS landen is gaan noemen (Portugal, Ierland, Italië, Griekenland en Spanje). Het ergst getroffen waren Griekenland (waar de groei terugviel van 3,94 procent naar -4,11 procent) en Ierland (waar de groei, na verschillende immobiliënschandalen, terugviel van een spectaculaire 6,59 procent naar -0,34 procent). Maar ook in Italië, Portugal en Spanje was de terugval spectaculair:

  • Italië           -1,26 procent groei tegen         1,44 procent voorheen (1992-2007)
  • Portugal      -0,94 procent groei tegen         2,09 procent voorheen
  • Spanje        -0,73 procent groei tegen         3,15 procent voorheen.

Later vervoegden ook Cyprus en IJsland het peloton van de achterblijvers toen daar de grootste banken over de kop gingen. In IJsland gingen in 2008 de drie grootste banken over de kop en daalde de economische groei tot -5,15 procent. Een lening verstrekt door Rusland was noodzakelijk om het land van een faillissement te redden. In Cyprus werd de situatie dramatisch toen, meegesleurd door de Griekse financiële crisis, rijke Russische burgers er vanaf maart 2013 massaal hun spaargeld gingen weghalen. Hier was het onbegonnen werk de Cypriotische burger te laten opdraaien voor het verlies van de burger, en dwongen de ECB, het IMF en de Europese Commissie (de zgn. trojka) de beleggers ertoe zelf op te draaien voor de bankencrisis. De trojka besliste immers dat al wie meer dan 100.000 euro van een falende Cypriotische bank tegoed had het overschot kwijtspeelde. Zoiets noemde men de haircut methode die daarna binnen de hele eurozone zou worden veralgemeend.

CHART-6

Source: OCDE, Real GDP Forecast, URL: http://data.oecd.org/gdp/real-gdp-forecast.htm#indicator-chart.

Opvallend is dat van de 22 hoogindustriële samenlevingen, opgenomen in de grafiek, er sinds de crisis slechts 4 beter doen dan de wereldeconomie (China, India, Korea en Polen), een wereldeconomie met een gemiddelde groei van 2,99 procent tegen 3,80 procent voorheen. Dat zijn er 3 minder dan voorheen (vroeger hoorden Ierland, Rusland en Griekenland daarbij). Naast de 4 die beter doen dan de wereldeconomie zijn er nog eens 4 die beter doen dan het gemiddelde van de 34 OESO landen (0,90 procent tegen 2,71 procent voorheen): Brazilië, Rusland, de Verenigde Staten en Zweden. Onder de landen die slechter doen dan het gemiddelde van de OESO maar beter dan het gemiddelde van de eurolanden vindt men Noorwegen, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, België, Frankrijk, Japan en Nederland. Bij de landen die het slechter doen dan het gemiddelde van de eurozone (-0,11 procent groei, tegen 2,09 procent voorheen) vindt men naast de PIIGS landen verrassend ook Denemarken en Finland met een gemiddelde economische groei van resp. -0,43 en -0,69 procent tegen voorheen 2,31 en 3,23 procent.

De bankencrisis die in 2008 de hoogindustriële wereld trof, waarbij de overheid omvallende banken aan het publieke infuus moest hangen, heeft ervoor gezorgd dat de bruto staatsschuld significant is opgelopen. Dat blijkt uit grafiek 7-1 die de publieke schuldgraad in 2007 vergelijkt met die in 2014. Tenzij in Noorwegen en India is die overal opgelopen, zij het niet altijd omdat te groot geworden banken door overheidsgeld moesten worden ondersteund. Ook de vergrijzing van de bevolking (oplopende pensioenlasten), subsidies aan niet-financiële bedrijven in moeilijkheden, en gestegen werkloosheid (zij het niet in alle landen zoals later zal blijken) hebben de publieke schuldgraad verhoogd.

CHART-7-1

Source: for Norway, Korea (2012) and Japan: OCDE ; for EU28 countries: Eurostat General Government Gross Debt (URL: http://ec.europa.eu/eurostat/tgm/table.do?tab=table&init=1&language=en&pcode=tsdde410&plugin=1); for Brazil, China, India, Russia: Trading Economics (URL: http://www.tradingeconomics.com/india/government-debt-to-gdp); for USA: Federal Reserve Bank of St.Louis (URL: http://research.stlouisfed.org/fred2/series/GFDEGDQ188S).

Voor de vijf BRICK landen ligt de publieke schuldgraad in 2014 onder de 70 % met 12,95 procent (voorheen 8,51 procent) voor Rusland; 22,50 procent (voorheen 16,20 procent) voor China; 37,60 procent (2012) voor Korea (voorheen 28,71 procent); 65,30 procent voor India en 66,67 procent voor Brazilië. Bij het ondertekenen van de akkoorden van Maastricht werd de veiligheidsgrens nog op 60 procent gelegd, al leek 70 procent aanvaardbaar. Vijf Europese landen blijven nog steeds onder de veilige 70 procent, onder hen de vier Scandinavische landen: Noorwegen (29,52 procent in 2014 tegen … 50,49 procent in 2007), Zweden (41,48 procent), Denemarken (45,60 procent), Finland (60,16 procent), maar ook Polen dat ondanks een hoge werkloosheid zijn bruto staatsschuld wist te beperken tot 49,51 procent. Nederland (van 45,29 naar 75,03 procent) en Duitsland (van 65,21 naar 74,55 procent) horen daar niet meer bij. In de overige bestudeerde landen ligt de publieke schuldgraad boven de 95 procent met 101,27 procent voor de Verenigde Staten en 105,80 procent voor België. Japan heeft de hoogste publieke schuld: 243,52 procent van het BBP.

Dat de huidige crisis goed en wel een schuldencrisis is blijkt ook als men de private schulden bij de publieke schulden optelt. In de meeste landen is de totale schuld, dat is de som van de publieke en de private schulden, veel groter geworden dan het bruto binnenlands product. Eigenlijk is het hele monetaire systeem één grote luchtbel geworden door de geldschepping van de banken. Na de afschaffing van de gouden standaard is het fractioneel bankieren – waarbij banken maar een fractie van de ontvangen gelden in kas moeten aanhouden – de oorzaak geweest van de kredietcrisis. Uiteindelijk zijn alle deviezen fiat-deviezen geworden van zodra ze niet meer door goud gedekt waren. Gedreven door hoge bonussen ontstond een graaicultuur onder bankiers waarbij de gestructureerde (maar toxische) kredieten de pan gingen uit swingen. Kredieten worden inderdaad gevaarlijk als daar onvoldoende activa tegenover staan. En dat is wat in veel westerse landen al lang vóór de huidige crisis het geval was. Door de geldschepping van de banken groeiden de private schulden sneller dan het bruto binnenlands product, waardoor hun hele economie op luchtbellen zat. Met private schulden worden de openstaande kredieten van én bedrijven én gezinnen bedoeld. De schulden van de financiële instellingen aan elkaar (de interbancaire schulden dus) worden daar niet bij geteld. Grafiek 7-2 laat zien hoezeer de totale schulden eind 2014 al ontspoord zijn. In Japan en Ierland zijn ze eind 2014 bijna vijf keer groter dan het BBP. In Ierland waren ze in 1995 net iets hoger dan het BNP, zodat de schuldenlast in twintig jaar tijd ongeveer vervijfvoudigd werd. Uit grafiek 7-3 blijkt dat ze voor aanvang van de crisis, in 2007, behoorlijk lager waren. En grafiek 7-4 schetst de situatie een dozijn jaar vroeger, dus in 1995, dan het uitbreken van de crisis.

In 1995 lagen de totale schulden in liefst 11 van de 22 bestudeerde landen onder het dubbel van het BBP; in 2007 en in 2014 was dit nog maar met vijf landen het geval: de BRICK landen minus Korea en plus Polen. Uit de cijfers van tabel 9 blijkt erg duidelijk dat om eenzelfde hoeveelheid toegevoegde waarde te produceren er steeds meer met behulp van krediet wordt gerealiseerd, steeds minder met eigen middelen. Hierdoor worden landen steeds afhankelijker van banken en nemen de risico’s alarmerend toe.  

CHART-7-2

CHART-7-3

CHART-7-4

Enkel Rusland is er in geslaagd om onder Boris Jeltsin, Vladimir Poetin en Dmitri Medvedev zijn schuldsaldo in twintig jaar tijd te verlagen (met 27,74 procent). India en Duitsland konden het oplopen van de totale schuld onder de 25 procent houden (laatste kolom van tabel 9). Nederland, dat al jaren worstelt met een woningprobleem, en waar de uitstaande hypothecaire leningen een aanzienlijk deel van de private schulden uitmaken, wist de verhoging in twintig jaar tijd te beperken tot 36,39 procent. Brazilië, Korea en Denemarken hielden het op een stijging van rond de 50 procent. In acht landen steeg de schuldgraad in twintig jaar tijd met meer dan 50 procent maar met minder dan 80 %. Het zijn Polen (60,44 procent), Finland (65,07 procent), China (66,97 procent), Zweden (67,93 procent), Noorwegen (69,69 procent), België (71,58 procent), Italië (72,19 procent) en de Verenigde Staten (77,97 procent). In Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Japan kwam er ongeveer 100 procent bij de totale schuldgraad. Vier van de vijf PIIGS landen, Spanje (139,18 procent), Griekenland (169,21 %), Portugal (181,19 %) en Ierland (…386,74 procent) verloren controle over hun schuldenlast en moesten aan het infuus van de trojka worden gehouden.

CHART-TABEL9BIS-10928760_993169910710292_224030964_n

De schulden zijn uitgedrukt als een percentage van het bruto binnenlands product. 

Bron: voor de private schulden werd gewerkt met de officiële cijfers van de OECD, tabel Financial Indicators – stocks: Private Sector Debts as a percentage of GDP, URL: http://stats.oecd.org/index.aspx?queryid=34814#.

*= sinds 2002 in plaats van 1995.

De Oostenrijkse School, een kennismaking

Dit is mijn derde boek over structurele economische crises. Het eerste, Hoe genezen we onze zieke economie?, dateert al van 1979 en is gebaseerd op een reeks bijdragen in de tijdschriften De Nieuwe van 1971-1973, op een reeks interviews en debatten (onder meer met de Nederlandse econoom Arnold Heertje) voor de VPRO, en op een reeks artikelen in Knack. Mijn bewering van 1971 dat de westerse kapitalistische wereld op weg was naar een diepgaande langdurige crisis, omdat in meerdere westerse landen de schaalelasticiteit langzaam weggleed onder de fatale 1, had vooral in Nederland voor nieuwsgierigheid gezorgd en haalde ook een tv-interview op de Waalse RTBF, maar bleef zo goed als onopgemerkt in Vlaanderen. In 1992 heb ik de rol van de schaalelasticiteit met betrekking tot de petroleumcrisis nog eens uitvoerig toegelicht in de vierde paragraaf van hoofdstuk 2 in het politiek geëngageerde werk Libertijnse Breekpunten (pp. 160-260), een boek dat in Nederland werd uitgegeven. Die extra toelichting beschouw ik als onvolmaakt omdat ik als econoom liefst louter wetenschappelijk bezig ben, zonder enig politiek standpunt in te nemen.

In 2009 publiceerde ik bij een Nederlandse uitgeefster een analyse van de huidige crisis onder de titel Crisis, hoe lossen we het op? Hoewel het boek gunstig werd onthaald, o.m. door Geert Noels, en voorwerp was van twee tv-uitzendingen, deugde de voorgestelde oplossing niet omdat ze voorbijging aan de vaststelling dat excessieve bankkredieten crisis-verergerend werken. Het boek was al klaar om te worden gedrukt toen ik mijn vooringenomenheid tegen de Oostenrijkse School (die ik verwarde met het marginalisme à la Jevons) opzij schoof. Nu zes jaar later heb ik de voornaamste geschriften van de Oostenrijkse School grondig bestudeerd en werd het tijd om Crisis, hoe lossen we het op? compleet te herschrijven, deze keer met de nodige aandacht voor de nefaste gevolgen van een hoge schuldgraad.

Heel lang werd de Oostenrijkse School niet au sérieux genomen door de gevestigde paradigmatische economie. Een zeker elitarisme was daar bij aanvang in 1871 niet vreemd aan. Zo was de grondlegger Carl Menger (1840-1921) vanaf 1876 de privaatdocent van Rudolf von Habsburg, de kroonprins van Oostenrijk-Hongarije, enige zoon van keizer Frans Jozef die gehuwd was met een dochter van koning Leopold II van België. Hem moest Menger een opleiding geven in liberale economie en statistiek. Gedurende twee jaar reisde hij met de kroonprins door heel Europa, waarna hij door de keizer in 1878 werd benoemd als Hofrat in Wenen. Zijn vriendschap met de kroonprins bleef duren tot 1889 toen de kroonprins samen met zijn maîtresse dubbelzelfmoord pleegde in het slot Mayerling. Pittig detail is dat de achterkleindochter van Rudolf, prinses Stephanie Windisch-Graetz (°1939), koningin van België zou zijn geworden indien de Lex Salica niet had bestaan. Menger had een afkeer van zowel de Oostenrijkse aristocratie als van het socialisme. In die tijd ontstond in Duitsland de erg populaire stroming die men de Historische School is gaan noemen en waarvan de socialist Bruno Hildebrand (1812-1878) – ooit ter dood veroordeeld maar gevlucht – de leidinggevende figuur was. Menger was het over de gehele lijn oneens met de werkmethode van het historicisme dat uit een resem historisch feitenmateriaal, geïnspireerd door Karl Marx, ijzeren wetten in de samenleving meende te kunnen ontdekken. Dit leidde tot wat men de Methodenstreit is gaan noemen, een openlijke botsing met Gustav von Schmoller (1838-1917) die de leider was van de Jong-Historische School. Het was trouwens Schmoller die Menger al smalend een vertegenwoordiger van de door hem gehate Oostenrijkse School noemde.

Achteraf beschouwd had Menger het bij het rechte eind als hij stelde dat een inductieve benadering van de economie aan de hand van historisch feitenmateriaal onmogelijk wetten uit dat empirisch feitenmateriaal kon afleiden. Volgens hen moest economie, geheel in de lijn van de natuurwetenschappen deductief te werk gaan, door wetmatigheden af te leiden uit basisprincipes (axioma’s) en die achteraf te toetsen aan de empirische werkelijkheid. Die benadering had grote invloed op een paar latere vertegenwoordigers van de Oostenrijkse School, aanvankelijk op Eugen von Böhm-Bawerk en Friedrich von Wieser, later van Ludwig von Mises die de centrale figuur van de Oostenrijkse School zou worden.

Eugen von Böhm-Bawerk (1851-1914) deelde met Menger zijn afkeer van het Marxisme. Hij probeerde in een reeks geschriften aan te tonen dat het werk van Marx contradictorisch was en dat zijn arbeidswaardetheorie, die hij van de klassieken Adam Smith en David Ricardo had overgenomen fout was. Marx zou gefaald hebben de transformatie van waarden in prijzen, ook van meerwaarde in winst behoorlijk af te leiden. Dit liet de voor de liberale denkers die de Oostenrijkers waren, de conclusie toe dat het kapitalisme in het geheel geen systeem was dat teerde op de gelegaliseerde uitbuiting van de arbeidersklasse.[8] Von Böhm-Bawerk werd later minister van Financiën in het Oostenrijk-Hongarije van de Habsburgers.

Niet minder elitair was Friedrich von Wieser (1851-1926), zoon van een Hofrat van keizer Frans Jozef. Ook hij was in 1917 een korte tijd minister van Financiën, net als Böhm-Bawerk. Hij was een leerling van Menger en zal hem in 1903 aan de universiteit van Wenen opvolgen als professor in economie. Tot zijn studenten behoorden Ludwig von Mises, Friedrich Hayek en Joseph Schumpeter, drie van de meest vooraanstaande vertegenwoordigers van de Oostenrijkse School. Zelf droeg Wieser bij tot een verbetering van de waardetheorie die Jevons had gelanceerd in 1871 en die later door Menger was herzien. Heftig gekant tegen de arbeidswaardetheorie van Marx was hij aanhanger van de marginalistische waardetheorie die stelde dat de waarde van een waar bepaald werd door het grensnut, dus door de bijdrage tot de nuttigheid van de laatst toegevoegde waar in de reeks van aankopen. Hij introduceerde het begrip natuurlijke waarde van goederen en diensten, onafhankelijk van het maatschappelijk systeem waarin ze gebruikt en geconsumeerd worden.

De eerste generatie van Oostenrijkers, met als fakkeldragers Menger, Böhm-Bawerk en Wieser, had met elkaar gemeen dat ze conservatief liberaal waren, dat ze een afkeer hadden van alles wat naar socialisme of Marxisme rook, en dat ze door hun functie erg nauw aanleunden bij de autocratie van de heersende Habsburgers. Een tweede generatie zou wel het conservatisme, het liberalisme en de afkeer van het socialisme van de vorige generatie overnemen, maar niet de al dan niet voorgewende slippendragerij van de heersende Habsburgers die op het einde van de Grote Oorlog met de Romanovs in Rusland en de Osmanen in Turkije trouwens van de macht werden verdreven in een nieuw en minder autocratisch Europa.

Dé toon aangevende figuur van de Oostenrijkse School wordt Ludwig von Mises (1881-1973). In tegenstelling tot zijn voorgangers behoorde hij niet tot de Oostenrijkse elite. Afkomstig uit het huidige Oekraïne verhuisde hij op zijn negende naar Wenen waar hij 21 jaar lang, van 1913 tot 1934, volkomen onbezoldigd, privaatdocent was aan de universiteit van Wenen. Al vroeg toonde hij een grote belangstelling voor het geldwezen en verdedigde hij de gouden standaard om problemen van inflatie, en zeker hyperinflatie, te vermijden. Zijn eerste groot werk Theorie des Geldes und der Umlaufsmittel van 1912, waarin hij het fractioneel bankieren risicovol vindt, bezorgt hem geenszins de reputatie die hij verdiende. Gekant tegen iedere vorm van etatisme (staatsingreep in het economisch leven), voorstander van een klassiek liberalisme, heftig tegenstander van socialisme, van historicisme en van de communistische planeconomie, maken van hem een heterodoxe (= niet-orthodoxe) econoom die de paradigma (de paradepaardjes) van de gevestigde economische wetenschap doet aanvallen. Dat hij nooit officieel tot professor wordt benoemd is allicht te wijten aan de omstandigheden van zijn tijd: als overtuigd liberaal midden een wereld van socialistisch staatsinterventionisme, van opkomend fascisme (later nazisme), als Jood levend in zowat de meest antisemitische stad in Europa, Wenen, en regelmatig teksten publicerend die indruisen tegen de gevestigde neoklassieke economie van zijn tijd, wordt hij niet op zijn juiste waarde geschat. Hierover schrijft hij zelf: “Zij die de wereld (denigrerend) de Oostenrijkse economen noemden waren uitgesloten aan de Oostenrijkse universiteiten, waar ze met moeite werden geduld.”

Aan inkomen geraakte Mises als raadgever van de Kamer van Koophandel, en dit, onderbroken door de Grote Oorlog, van 1909 tot 1938. Eén jaar nadat Adolf Hitler aan de macht komt, in 1934, wijkt hij uit naar Zwitserland. Door de nazi’s beschouwd als een politieke vijand omwille van zijn Joodse afkomst en door socialisten omwille van zijn afkeer van staatsinterventionisme, verhuist hij in 1934, één jaar nadat in Duitsland Adolf Hitler aan de macht komt, naar Genêve waar hij aan de Université des Hautes Études een postje als lector krijgt. De nacht van de Anschluβ wordt zijn appartement in Wenen leeggehaald door de nazi’s als ze al zijn pervers beoordeelde geschriften meenemen in 38 valiezen. Hij wordt van al zijn bezittingen onteigend en zijn betrekking aan de Kamer van Koophandel wordt opgeheven. Ondertussen heeft de Grote Depressie ervoor gezorgd dat het staatsinterventionisme in de economie alarmerend toeneemt, zeker nu de consumptie-economieën in Europa, met de verwachting van een groot internationaal conflict, steeds duidelijker oorlogseconomieën worden. Ook de milde staatstussenkomst in de economie, als in 1936 bepleit door Keynes, kent geen genade in zijn ogen.

Als nazi-Duitsland Nederland, België en Frankrijk binnenvallen besluit hij op 4 juli 1940 om met zijn vrouw Europa te verlaten en via Portugal uit te wijken naar de Verenigde Staten waar hij – zelf drietalig – eerder al een paar lezingen gaf. Hij zal later trouwens zijn Oostenrijkse nationaliteit ruilen voor de Amerikaanse. Het duurt nog tot 1949 alvorens hij zijn magnum opus Human Action, a Treatise on Economics op 67-jarige leeftijd publiceert. Het wordt – en dit blijft zo tot op vandaag – de bijbel voor de aanhangers van de Oostenrijkse School. Centraal daarin staat zijn kijk op het menselijke handelen dat gekenmerkt wordt door een subjectivisme dat zich niet in modellen laat vatten. Hij wordt een hardnekkig tegenstander van de macro-economie en van alles wat naar econometrische modellen ruikt. De breuk met zowel de neoklassieke als de Keynesiaanse economie wordt hiermee voltooid. Voor zover hij nog enige interesse voor de gevestigde economie betoont beperkt zich die, en dit met nodige reserves, tot het monetarisme van Milton Friedman.[9] Trouwens, wat is dat de mainstream economics? Economen zijn het doorgaans over veel over eens, tenzij over economie.

Uitgangspunt voor de studie van het menselijk handelen is de praxeologie. Dat is de manier waarop men het menselijk handelen, dat louter subjectief is, probeert te verstaan. In tegenstelling tot de filosofen van de Wiener Kreis [Moritz Schlick, Rudolf Carnap, Otto Neurath, Karl Menger (zoon van) en anderen] die de eenheidswetenschap verdedigden, kan economie volgens Mises niet worden beoefend zoals de natuurwetenschap dit doet. Daarvoor zijn individuen te verschillend van elkaar omdat ze allen een eigen kennis hebben, eigen interpretaties, eigen verwachtingen en een verschillende graad van alertheid. Daarom zou het onmogelijk zijn betrouwbare wiskundige modellen van het menselijk handelen te maken omdat het de ontkenning inhoudt van het radicaal subjectivisme dat de mens als handelend wezen typeert. Voor Mises is het primaat van de nuttigheid het uitgangspunt en moet nuttigheid, in tegenstelling tot wat Stanley Jevons en Alfred Marshall doen, worden losgemaakt van achterliggende kosten. Mises stelt dat de kosten zelf subjectief zijn omdat ze gebaseerd zijn op het vanzelfsprekende individuele inschatting van de nuttigheid. Kosten blijven een menselijke beslissing en zijn in die zin een neutrale actie. Methodologisch individualisme staat centraal in het denken van Mises. Als economie de wetenschap is die keuzevraagstukken moet ontwarren, dan moet men kijken naar diegene die de keuze maakt om de economische relaties te verstaan. Maar wat dan gedaan met keuzes gemaakt door een collectief, bijvoorbeeld door een comité of een commissie? Hierop is het antwoord van Mises eenvoudig. Collectieve beslissingen zijn het gevolg van individuele beslissingen van leden van een collectief beslissingsorgaan.

Mises stelt dat alle menselijk handelen doelgericht is. Daarbij zijn de nagestreefde doeleinden verschillend van tijd tot tijd voor elk individu apart. Ze proberen verwachtingen waar te maken maar kunnen daarin falen door verkeerde inschattingen van de toekomst. Elke bewuste handeling is het gevolg van logische afwegingen waarbij het de intentie is het welzijn te verbeteren en ontevredenheid te verwijderen. Instinctieve acties zijn volgens Mises geen vorm van menselijk handelen omdat hier het bewustzijn ontbreekt. Bij de keuze van zijn doeleinden zal de mens streven naar die doeleinden die zijn welzijn het meest verhogen. Pas daarna zullen doeleinden worden nagestreefd die zijn welzijn minder verhogen. Opeenvolgende doelen zullen minder nut opleveren voor het individu wat conform is met de wet van het dalend grensnut die Mises onderschrijft.

De praxeologie van Mises is causaal-genetisch in de zin dat hij zoekt naar de essentie van het menselijk handelen, niet naar functionele verbanden. Hij schrijft het functionalisme af. Hij is niet geïnteresseerd in de voorwaarden die vervuld moeten zijn om bepaalde doeleinden te verwezenlijken, wel in de essentie van de dingen, niet in hun vorm. Omdat wiskunde functioneel is en vorm-georiënteerd kan ze volgens Mises niet bijdragen tot het verstaan van de fundamentele economische relaties.

Alle latere aanhangers van de Oostenrijkse School, met uitzondering van Joseph Schumpeter (1883-1950), die eigenlijk nooit lid is geweest van de Oostenrijkse School, hooguit een sympathisant, aanvaarden de vier beginselen van de praxeologie die Mises uiteenzette, dus

  • het radicaal subjectivisme
  • het methodologisch individualisme
  • het teleologisch (= doelgericht) karakter van het menselijk handelen
  • en het causaal-genetische van het menselijk handelen.

 

Friedrich A. Hayek (1899-1992), een leerling van Mises zal daar in 1942 een vijfde karakteristiek aan toevoegen, namelijk het non-scientistisch karakter van de economische inzichten. Daarmee bedoelde hij, wat Mises later feitelijk ook onderschreef, dat het onmogelijk is economie met dezelfde methode te benaderen als de natuurwetenschappen. Het scientisme is een erfenis van de 19de eeuw, gelinkt aan het positivisme van Auguste Comte. Het was ervan overtuigd dat de wetenschap via universele wetten, geldend voor alle punten in ruimte en tijd, in staat moest zijn onvoorwaardelijke voorspellingen te doen. Maar de natuur van een handelend menselijk wezen, verschillend van alle andere menselijke wezens, laat geen veralgemeningen en zeker geen voorspellingen toe.

Hayek is ongetwijfeld één van de meest invloed­rijke economen uit de geschiedenis van het economisch denken. In maart 1929 voorspelde hij, toen nog geen verdediger van het non-scientisch karakter van de economische wetenschap, op zijn eigen manier van denken de Grote Depressie die tot na de Tweede Wereldoorlog is blijven duren. In 1974 kreeg hij voor zijn œuvre de Nobelprijs voor economie. Hayek, ultra-liberaal als alle vertegenwoordigers van de Oostenrijkse School, was een hardnekkig tegenstander van het socialisme wat goed tot uiting kwam in zijn magnum opus The Road to Serfdom. Daarin nam hij afstand van de in Engeland – waar hij toen doceerde aan de London School of Economics – de overwegende opvatting dat het fascisme ontstond als tegenreactie op het socialisme. Hayek was trouwens ongelukkig met een uitschuiver van Mises die in 1927 het fascisme van Benito Mussolini nog had verwelkomd omdat het een dam opwierp tegen het communisme dat het einde zou betekenen van de menselijke beschaving. Toch was Mises alles behalve een verdediger van het fascisme dat hij eerder zag als een tijdelijke noodoplossing om het bolsjewisme af te remmen. Hayek zelf was het trouwens vaak oneens met het denken van Mises, bijvoorbeeld dat men de markt alle vrijheid moest laten, dat de onzichtbare hand wel voor de nodige oplossingen zou zorgen. Eigenlijk noemt men Hayek ten onrechte de vader van de (ultra)liberale laissez-faire economie. In tegenstelling tot Mises ziet hij weldegelijk een economische rol weggelegd voor de overheid, onder meer in het monetair beleid dat kon helpen de inflatie af te stoppen. Hij was dus niet dezelfde onvoorwaardelijke tegenstander van alle vormen van staatsinterventionisme die Mises was. Veel van zijn denkbeelden ontleende Hayek van de Oostenrijkse liberale filosoof Karl R. Popper (1902-1994), die ook aan de London School of Economics doceerde. Met hem deelde Hayek zijn afkeer van het Marxisme dat volgens Popper methodologisch fout zat omdat het een vorm van historicisme was.

Voorts werd het denken van Hayek beïnvloed door dat van de Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein (1899-1951) en van de Zweedse econoom Knut Wicksell (1851-1926). Wittgenstein – volgens mij de grootste denker die de mensheid ooit heeft gekend – was eigenlijk familie van Hayeks moeder die als kind vaak met zijn zusters had gespeeld. Hayek, die Wittgenstein een paar keer ontmoette, was vooral onder de indruk van diens opvattingen over wetenschappelijke-, metafysische- en onwetenschappelijke proposities. Wetenschap, dus ook de economie, diende universele uitspraken te doen over aanwijsbare toestanden in de wereld (in de zin van Poppers “alle zwanen zijn wit”, wat gereduceerd kan worden tot “dit is een zwaan en dit is wit”, “dit is nog een zwaan en dit is ook wit”, tot “dit zijn ze allemaal) en niet over onaanwijsbare toestanden (in “alle goden zijn goed” zijn noch god, noch goed aanwijsbaar) die metafysisch zijn. Wel volgde Hayek Popper bij diens afwijzing van het verificationisme van de Wiener Kreis, dat hij verving door een falsificationisme. “Dit zijn ze allemaal” is niet verifieerbaar, “dit is een zwarte zwaan” wel. Universele proposities kunnen dus worden weerlegd door existentïele proposities die de ontkenning zijn van universele proposities. In Popperiaanse zin is wetenschap de verzameling van alle universele uitspraken die een poging tot weerlegging (falsificatie) met goed gevolg hebben doorstaan. Hiermee ben ik het feitelijk volledig oneens.[10]

Wicksell – volgens mij de meest miskende econoom op aarde – heeft grote invloed gehad op zowel Mises als Hayek. Allicht geen econoom heeft zoveel economen van andere strekking beïnvloed als Wicksell. Het is de verdienste van de Nieuw-Keynesiaan Axel Leijonhufvud dat hij daar in zijn bijdrage The Wicksell Conection, Variations on a Theme (1979), de aandacht heeft op gevestigd. Wicksell studeerde wis- en natuurkunde aan de universiteit van Uppsala maar deed het wel grondig vermits het zestien jaar duurde alvorens hij hierover doctoreerde. Toen hij niet benoemd geraakte aan dezelfde universiteit studeerde hij, nu in twee jaar, af in een normaal vierjarige opleiding in de rechten. Het bezorgde hem één jaar later wel een leerstoel aan de universiteit van Lund. Dat Wicksell, een wiskundige, een verdediger van de macro-economie en van het staatsinterventionisme, als grondlegger van de Zweedse verzorgingsstaat zo’n grote invloed uitoefende op de Oostenrijkse School, die tegen dit alles radicaal gekant was, mag verwonderlijk heten, maar is dit al veel minder indien men zich realiseert hoezeer zijn inzichten in economie torenhoog uit troonden boven die van zijn tijdgenoten. Wicksell werd trouwens de locomotief van de Stockholmse School die een geheel eigen plaats verwierf in het economisch denken.[11]  Zijn geldtheorie over de inflatie, waarbij hij de “sluier” van het geld ophief en zijn theorie over de natuurlijke rentevoet hebben later grote invloed gehad op zowel Mises als Hayek. Het blijft opvallend dat het Amerikaanse Von Mises instituut alle geschriften van de toch overwegend linkse Wicksell – eerder een socialist dan een liberaal – bewaart en in e-vorm op het internet heeft geplaatst.

Daarmee wordt impliciet erkend dat de conjunctuurtheorie die zowel Mises als Hayek ontwierpen rechtstreeks werd afgeleid van die van Wicksell. Mises had in zijn Theory of Money and Credit (1912) het begrip “marginaal nut” toegepast op de waarde van het geld, geheel analoog met wat Wicksell al eerder deed in zijn geldtheorie. Hierbij stelde Mises een reeks conjunctuurgolven vast in de industriële productie. Hayek werkte die gedachte verder uit. In zijn Prices and Production (1931) stelde hij dat de conjunctuurgolven het gevolg waren van inflatie die zelf een gevolg was van de kredietexpansie. Hiermee deed de gedachte dat excessieve bankkredieten (dus opgestapelde schulden van overheid, bedrijven en gezinnen, tot uiting komend in de cijfers voor publieke en particuliere schulden) zijn intrede in de conjunctuurtheorie. Te lage rentevoeten om een economie uit de crisis te halen werkten volgens Hayek contraproductief omdat ze oorzaak waren van misallocaties van het kapitaal, zeg maar van misinvesteringen.

Onder de pen van de Amerikaanse econoom Murray Rothbarth (1926-1995), de voornaamste vertegenwoordiger van de derde generatie van de Oostenrijkse School, gingen aanhangers van die school de toer van het anarcho-kapitalisme op. Het ultra-liberale werd hierbij vervangen door het ultra-libertarisme. Hoewel Rothbarth twintig boeken schreef gaat bitter weinig van wat hij publiceerde over economie. Hij is een vurig voorstander van de totale terugkeer van de laissez-faire economie waarin de overheid zo goed als geen rol meer te spelen heeft. Ondanks zijn Joodse afkomst verdedigt hij het historisch revisionisme. Hij stelt voor dat politieagenten ter beschikking worden gesteld door onderling concurrerende privé firma’s, dat ze het recht hebben op tortuur van verdachten, en dat ze de straten moeten schoonvegen van clochards en vagebonden. Ouders hebben geen plichten tegenover hun kinderen, ze mogen ze desnoods van honger laten sterven. Hij is voorstander van een markt waar baby’s mogen worden verkocht, schrijft dat de zwarten intellectueel minderwaardig zijn in vergelijking met de blanken, is gekant tegen iedere vorm van feminisme en tegen elke vorm van egalitarisme. Veel van wat hij schrijft komt over als provocatie zonder het te zijn: hij is een goedlachse rechtse Amerikaan, die eigenlijk nooit van zijn leven heeft gewerkt en steevast tot de middag sliep, maar wel iemand die meent wat hij schrijft. Uitschuivers als zouden astrologie en astronomie allebei wetenschappen zijn moet de lezer erbij nemen.

Hij is een hardnekkig tegenstander van oorlogen die door het Amerikaanse industrieel-militair complex worden uitgelokt, bijvoorbeeld als hij schrijft: “Our entry into World War II was the crucial act in foisting a permanent militarization upon the economy and society, in bringing to the country a permanent garrison state, an overweening military-industrial complex, a permanent system of conscription. It was the crucial act in creating a mixed economy run by Big Government, a system of state monopoly capitalism run by the central government in collaboration with Big Business and Big Unionism.”

In puur economisch opzicht stelt Rothbarth bitter weinig voor. Hij is een verwoed tegenstander van wiskundige economie en econometrie en verdedigt een geldtheorie die hinkt op een twaalftal foute premissen tegelijk. Wel verdedigt hij de afschaffing van het fractioneel-reserve bankieren en komt hij op voor full-reserve banking waarbij deviezen integraal door goud moeten worden gedekt. Hij herkauwt op naïeve manier de conjunctuurtheorie van Mises, van wie hij de praxeologie overneemt die hem toelaat allerlei provocerend aandoende ethische standpunten in te nemen. Toch heeft hij in extreemrechtse kringen een aantal aanhangers. Sommigen van hen, bijvoorbeeld Hans-Hermann Hoppe (°1949) van de Goethe Universiteit in Frankfurt, drijven het zo ver door te stellen dat hij met zijn boek Man Economy and State minstens twee keer de Nobelprijs voor economie verdiende.

Na de dood van Rothbarth valt de Oostenrijkse School uiteen in twee strekkingen, de ene aansluitend bij Hayek (de enige Oostenrijker die door de mainstream economics werd aanvaard) en de andere aansluitend bij het duo Mises en Rothbard en diens leerling Israel Kirzner (°1930) van de New York University (bekend om zijn theorie over het ondernemerschap). Zij die aansluiten bij Hayek hebben wél oog voor het probleem van het algemeen evenwicht, verzetten zich niet langer tegen mathematische modellen en laten een opening inzake staatsinterventie. Op die manier valt een brug te slaan tussen de Hayekianen en de (nieuwe) neoklassieke theorie. Tot deze strekking rekent men George Reiman (°1937) van de New York University, Roger Garrison (°1944) van de University of Virginia, Peter Boettke (°1960) van de George Mason University, Steven Horwitz (°1964) van de George Mason University, en Peter Leeson (°1979) van de George Mason University.

De tweede groep heeft ondertussen de praxeologie van Mises gecanoniseerd en er een heilig dogma van gemaakt. Weerleggingen van wat Mises schrijft worden onmogelijk gemaakt omdat hiervoor empirische gegevens nodig zijn, iets wat de volgelingen van Mises als methodologie verwerpen: in de economie van Mises is er geen ruimte voor statistiek, voor wiskunde of voor econometrie. Hierdoor verwierf zijn theorie dezelfde status als het Marxisme ten tijde van de hoogdagen van het bolsjewisme: ze werd onaanvechtbaar, een onbetwijfelbaar geloof, en behoort daardoor, in de interpretatie die Wittgenstein er aan geeft doodgewoon tot de metafysica, niet langer tot de wetenschap. Het verst hierin is de Duitser Hans-Hermann Hoppe gegaan. Hij verwijt Hayek een Britse empiricist te zijn en dat hij een tegenstander was van de lijn die loopt van Menger en Böhm-Bawerk tot Mises en Rothbarth. Andere volgelingen van de Mises-Rothbard lijn zijn Walter Block (°1941) van de Columbia University, de Spanjaard Jesús Huerta de Sota (°1956) van de Complutense Universiteit van Madrid, de in Oxford opgeleide Chinees Zhang Weying (°1959) die ondertussen door het regime uit zijn leerstoel aan de Peking Universiteit werd ontzet, en Robert P. Murphy (°1976) van de New York University. Hen beschouw ik als de centrale opperpriesters in het mausoleum van Mises, waar ze hem dagelijks bewieroken.

De conjunctuurtheorie van de Oostenrijkse School

De bedoeling van ons statistisch onderzoek was na te gaan of het juist is dat economische crises ontstaan door excessieve schulden (bankkredieten), meer bepaald als de lopende bankkredieten sneller stijgen dan de economische groei, iets wat Knut Wicksell destijds aanhaalde. En vermits diezelfde Wicksell grote invloed heeft uitgeoefend op zowel Mises als Hayek, lijkt het logisch hun studie van de conjunctuurgolven te raadplegen.

De conjunctuurtheorie van de Oostenrijkse School, die, in tegenstelling tot de visie van Wicksell, door de mainstream economics nog steeds niet au sérieux wordt genomen, staat bekend als de ABCT (Australian Business Cycle Theory). Zowel Mises als Hayek redeneerden door op een vaststelling van Wicksell, namelijk dat als de werkelijke rente onder de natuurlijke rente zakt de besparingen onvoldoende zijn om de investeringen te kunnen blijven financieren. In dit geval geraakt een economie uit balans. De Oostenrijkers noemen de natuurlijke rente die welke zou ontstaan bij full reserve banking, dus als deviezen integraal gedekt zouden moeten worden door goud. De werkelijke marktrente is die welke ontstaat bij fractioneel reserve bankieren, als private banken wegens het bestaan van de kredietmultiplicator aan geldschepping kunnen doen, net alsof ze een centrale bank waren.

In een vrije markt is de rente de prijs van het geld over de tijd. Het is een indicatie voor de tijdsvoorkeur van consumenten. Door meer te sparen stellen mensen hun consumptie van nu uit voor consumptie in een latere periode. Dat zal ertoe leiden dat er meer geld vrijkomt voor investeringen. Dit groter aanbod van geld resulteert noodgedwongen in een verlaging van de marktrente zodat de investeringen zullen stijgen. Dit vrije marktprincipe wordt echter verstoord wanneer het verhoogde aanbod van geld niet het gevolg is van gestegen besparingen, maar wel van een injectie van meer geld in het economisch systeem door de centrale bank (ook door een toegenomen geldschepping van de private banken als die besluiten minder liquiditeiten in kas te houden). Ook dit zal leiden tot een daling van de marktrente, maar nu niet langer door het spel van vraag en aanbod op de vrije markt, wel door een ingreep van de overheid die of meer geld in de economie pompt of aanvaardt dat de kasreservedekking van de private banken wordt verlaagd. Dit ingrijpen beschouwen de Oostenrijkers als een distorsie waarbij het vrije marktmechanisme wordt verstoord. De marktrente correspondeert daardoor niet langer met de natuurlijke rente, maar is er onder doorgezakt. Hierdoor kan er meer worden geïnvesteerd dan er wordt gespaard. Ludwig von Mises – hierin later gevolgd door Friedrich Hayek – trok hieruit het besluit dat iedere kunstmatige verlaging van de rente door een staatsinterventie (verhoogd geldaanbod door de centrale bank of door de private banken nadat de overheid de kasreservedekking bij fractioneel reserve bankieren liet zakken) moet leiden tot kunstmatige investeringen.

Tot zo ver zeiden Mises en Hayek weinig meer dan wat Wicksell in zijn al in 1898 schreef in zijn Interest and Prices, 14 jaar eerder dan Mises’ Theorie des Geldes und der Umlaufmittel van 1912 en 33 jaar eerder dan Hayek in zijn Prices and Production van 1931.Maar waar Wicksell zich beperkte tot de vaststelling dat indien de marktrente lager was dan de natuurlijke rente de prijzen noodgedwongen moesten stijgen, trok Mises een veel verdergaande conclusie, die Hayek van hem overnam, namelijk dat de kunstmatige investeringen veroorzaakt door een overheidsinterventie niet langer rendabel zouden zijn onder de oorspronkelijke rente, de natuurlijke rente, die de vrije markt zou aanbieden. Het moest dus leiden tot misinvesteringen die na verloop van tijd noodzakelijk moesten leiden tot aanzienlijke verliezen. Hierdoor wordt het natuurlijke groeipad van de economie verstoord en drijft ze voort op bubbels die elk ogenblik kunnen uiteen knallen. Dit is de grote innovatie die Mises invoerde ten opzichte van de conjunctuuranalyse van Wicksell. In die zin hebben diegenen die beweren dat Hayek de Nobelprijs kreeg die Mises voor hem klaarstoomde in zekere zin gelijk: Mises kon die moeilijk krijgen omdat hij niet officieel aan een universiteit doceerde, terwijl Hayek dat wel deed.

Hoezeer Mises gelijk had dat een kunstmatige rente moest leiden tot misinvesteringen werd recent nog aangetoond door de immobiliëncrisis in de Verenigde Staten. Tussen 2001 en 2005 verlaagde de monetarist Alan Greenspan als president van de FED de rente en pompte hij meer geld in de Amerikaanse economie. De banken leenden dit geld uit aan allerlei investeerders, niet op zijn minst aan al wie een huis wou kopen, waardoor de huizenprijzen sterk begonnen te stijgen. Dit werd nog in de hand gewerkt door de Community Reinvestment Act van 12 oktober 1977 door het Congres goedgekeurd ten tijde van het bewind van de Democratische president Jimmy Carter. De bedoeling van die wet was om redlining (een term geïntroduceerd door de socioloog John McKnight in 1960) tegen te gaan, dat is de discriminatie en uitsluiting van bepaalde groepen in de Amerikaanse samenleving die meestal omwille van hun ras, hun inkomen of hun geslacht, uit de gevestigde samenleving worden uitgesloten. Bedoeling was dat banken, die daarop ook werden gecontroleerd makkelijker leningen zouden toekennen aan de laagste strata van de bevolking om er een eigen woning mee te kopen. Instellingen als Fannie Mae en Freddy Mac die door de overheid werden gesteund verzekerden de door banken toegestane hypotheekleningen, waardoor niet enkel de immobiliënprijzen opliepen maar ook de hypotheekrente zodat al wie een hypotheek tegen variabele rente opnam (en dat waren zowat alle ninja kredietnemers) al rap zijn hypothecaire lening niet meer kon betalen en zijn huis moest verkopen. Hierdoor steeg het aanbod van huizen, die misinvesteringen waren in de zin die Mises aan die term gaf, en stortten de prijzen en de gehele immobiliënmarkt in elkaar. De vastgoedbubbel was inderdaad uiteen gespat.

Geldschepping door de centrale of private banken zorgt voor een abnormale verlaging van de marktrente die grondig verschilt van een rentedaling door meer aanbod van spaargeld. De Amerikaan Robert Garrison, een aanhanger van de Oostenrijkse School, meer bepaald van de Hayekiaanse strekking , heeft dat in 1997 keurig toegelicht aan de hand van twee grafieken (URL: http://www.auburn.edu/~garriro/a1abc.htm).

Het conjunctuurmodel van de Oostenrijkse School is een boom-bust model, waarbij de boom aanvankelijk leidt tot een grote expansie van de economie die een gevolg is van de geldschepping van de banken. Die geldschepping leidt tot een distorsie tussen de marktrente en de natuurlijke rente waardoor het evenwicht tussen besparingen en investeringen wordt verstoord. De geldschepping tot uiting komend in een groter aanbod van geld zorgt ervoor dat de marktrente kunstmatig wordt verlaagd waardoor enerzijds de besparingen zullen dalen en anderzijds de investeringen zullen toenemen, waardoor het natuurlijke groeipad van de economie wordt verstoord en allerlei zeepbellen zullen ontstaan. Excessieve bankkredieten zorgen ervoor dat tal van misinvesteringen zich opstapelen en dat de consumptie vermindert ten voordele van de investeringen. Crises zullen des te langer duren – in mijn terminologie: zullen structureel persistent worden in plaats van conjunctureel voorbijgaand – zolang de banken maar goedkoop geld in de economie blijven pompen tijdens de bust en dit tot de misinvesteringen zullen worden geliquideerd. De ABCT gaat ervan uit dat, als de centrale banken minder snel geld creëren, of nog als ze meer bevreesd geraken voor het inflatiespook, de rente terug kan stijgen, maar dat pas dan zichtbaar wordt hoe groot de misinvesteringen zijn geweest. Het optimisme verdwijnt, maakt plaats voor animal spirits (een term afkomstig van de door de Oostenrijkers gehate John Maynard Keynes), voor pessimisme, en de hele economie krijgt de kramp en versukkelt in crisis. Het artificieel in leven houden van grote bedrijven, door hen aan het infuus van de overheid te hangen, noopt de centrale banken opnieuw aan geldschepping te doen waardoor de rente weer te laag wordt en een depressie kan omslaan in een recessie.

Onvermijdelijk komt er ooit een einde aan dat pompen van goedkoop geld in de economie omdat de kloof tussen de te lage besparingen en de te hoge investeringen niet eeuwig groter kan worden gemaakt. Men riskeert daarbij, aldus Mises, een scherpe inflatie door prijsstijging van de consumptiegoederen. Tijdens de recessie zal de centrale bank gedwongen worden de marktrente terug op te trekken en zullen de misinvesteringen inderdaad worden geliquideerd tot de kloof tussen besparingen en investeringen weer is gedicht.

De jonge Nederlandse libertariër Imre Wessels (2012) schrijft hierover: “Wat de theorie van Mises in dit opzicht uniek maakt is dat het een recessie niet ziet als een gebeurtenis op zichzelf. De recessie is ontstaan doordat centrale banken de rente kunstmatig laag hebben gehouden waardoor er misinvesteringen plaats vonden. In de recessie ligt dan ook de oplossing voor de huidige problematiek omdat deze de misinvesteringen liquideert. De inzichten van Mises staan dan ook in scherp contrast met het huidige beleid. Dit beleid is erop gefixeerd om meer goedkoop geld in de economie te pompen. Het enige wat we hiermee bereiken is dat we de onvermijdelijke recessie uitstellen naar de toekomst, waar die nog veel harder gaat aankomen. (…) Het kunstmatig verlagen van de rente veroorzaakt economische zeepbellen die onvermijdelijk zullen klappen. Hoe meer goedkoop geld we in de economie injecteren, via het rentebeleid van de centrale bank, hoe groter deze problemen worden in de toekomst. Om de economie weer op het rechte pad te brengen zullen we het herstellende effect van de recessie moeten accepteren in plaats dat we elke crisis doorschuiven naar de toekomst.”

Want inderdaad, ook dat is typisch voor de Oostenrijkse School. Voor hen is de crisis een soort natuurramp waartegen niets te ondernemen valt. Wat we er ook willen aan doen, het zal de crisis alleen verergeren. Het enige wat de overheid in crisis moet doen is dus … niets doen en wachten tot het overwaait. Banken brengen door buitenissige kredieten een soort determinisme op gang die de mens moet onderdaan. Voor de rest moet hij heilig blijven geloven in een onzichtbare hand die alles wat verkeerd gelopen is vroeg of laat weer zal herstellen. Hier heet het wondermedicijn dus de vrije markt, het zaligmakende laissez-faire.

Bij Murray Rothbard in zijn America’s Great Depression (1963), een werk dat in 2000 al aan zijn vijfde editie toe was, gaat dit zelfs zo ver dat hij stelt dat de overheid het hele banksysteem maar in mekaar had moeten laten storten in de jaren 1930. Dit werd door Amerika’s belangrijkste monetarist, Milton Friedman, niet in dank afgenomen. Over het niets doen als enige oplossing zegt hij in een interview aan Barron’s Magazine van 24 augustus 1998: “I think the Austrian business-cycle theory has done the world a great deal of harm. If you go back to the 1930s, which is a key point, here you had the Austrians sitting in London, Hayek and Lionel Robbins, and saying you just have to let the bottom drop out of the world. You’ve just got to let it cure itself. You can’t do anything about it. You will only make it worse. You have Rothbard saying it was a great mistake not to let the whole banking system collapse. I think by encouraging that kind of do-nothing policy both in Britain and in the United States, they did harm”. Pittig detail is wel dat zowel de zoon als de kleinzoon van Friedman zich bekeerden tot het anarcho-kapitalisme van Rothbard. Eerder al had hij er op gewezen dat de analyse van de Oostenrijkse School in conflict kwam met de historische analyse die hij en Anna Schwartz hadden gemaakt van de invloed van het geldaanbod op de Amerikaanse economie in hun A Monetary History of the United States (1963). In 1969 stelde Friedman al: “The Hayek–Mises explanation of the business cycle is contradicted by the evidence. It is, I believe, false.” Een kwart eeuw later, na een hernieuwd onderzoek, kon hij die conclusie alleen nog maar bevestigen.

Typisch voor de manier waarop zijn aanhangers Mises tegen wil en dank hebben gecanoniseerd was de reactie van de Spaanse Oostenrijker Jesús Huerta de Soto tegenover Friedman: zijn macro-economisch onderzoek, dat geen correlatie laat zien tussen een contractie van het BBP en de kredietexpansie, kan onmogelijk deugen omdat hij werkt met aggregaten, terwijl hij wel een correlatie had gevonden tussen kredietexpansie, misinvesteringen en recessie indien hij een micro-economisch onderzoek had gedaan.

Cruciaal lijkt mij de vraag of een excessieve kredietexpansie inderdaad een crisis veroorzaakt, dan wel of ze een crisis niet verscherpt als tijdens de neergaande fase de centrale banken de marktrente laten dalen met de bedoeling de verslappende investeringen een boost te geven en de gedaalde werkgelegenheid zo weer op te krikken. Of nog: is de crisis het gevolg van een te grote kredietexpansie tijdens de boom, dan wel dat ze tijdens de depressie (eventueel recessie) wordt verscherpt door de lage rente politiek van de centrale banken?

Het merkwaardige is wel dat het telkens aanhangers van de Oostenrijkse School waren die met hun ABCT, en niet met ingewikkelde econometrische modellen (!), grote crises wisten te voorspellen. Zo waren Mises in de late jaren 1920 en Hayek in de lente van 1929 vrijwel moederziel alleen om de Grote Depressie te voorspellen, en deden Ron Paul en Peter Schiff het hen nog eens na in 2007 met de huidige persisterende crisis. Dit heeft het denken van de Oostenrijkse School, op zijn minst toch de strekking die teruggaat op Hayek, ongetwijfeld een boost gegeven waardoor de mainstream economics een herwaardering van die methode van analyse niet langer kunnen blijven uitstellen.

Crisis door excessieve kredietverstrekking of niet?

De grondstelling van de ABCT van de Oostenrijkse school komt erop neer dat economische crises het gevolg zijn van excessieve bankkredieten. Die zijn het gevolg van een overdreven geldaanbod van de centrale banken waardoor de marktrentevoet gaat dalen. Geen enkele school uit het economisch denken, ook niet de monetaristische van Chicago rond Milton Friedman, heeft zo categoriek in het spoor van Ludwig von Mises gesteld dat er causale relatie bestaat tussen crises en schulden, relatie die verband houdt met de geldschepping – niet enkel van de centrale banken maar ook van de private banken. Die theorie is dus het onderzoeken waard. Als de Oostenrijkse School gelijk heeft zijn bankiers de grote schuldigen van crises. Wat ik hierna wil nagaan is doodsimpel of het al dan niet waar is dat crises worden veroorzaakt door excessieve bankkredieten. Voorlopig kunnen we er ons toe beperken of dit op zijn minst al opgaat voor de huidige crisis. In dit onderzoek dienen twee afspraken te worden gemaakt, namelijk (1) vanaf wanneer is een economie in crisis en (2) vanaf wanneer kan men spreken van excessieve bankkredieten?

Hoofdkenmerk van alle crises is een gevoelige groeivertraging. Uit grafiek 6 is gebleken dat dit in alle 22 bestudeerde landen het geval is. Laten we de dingen simpel houden en het er op houden dat we van crises mogen spreken als de gemiddelde economische groei gedurende minstens vijf opeenvolgende jaren geringer is dan 1 procent. Volgens die benaderingen zijn de economieën van China, India, Korea, Polen (!) en Rusland niet in crisis, toch niet voor de periode van 2007 tot 2013. Alle andere economieën zijn dat wel, ook de Duitse, de Amerikaanse, enzovoort.

Volgende vraag is dan vanaf wanneer we van excessieve bankkredieten kunnen spreken? Hier zie ik twee cruciale benaderingen. De eerste is die van de vereiste duur voor de terugbetaling van alle schulden, duur die buitenissig wordt als ze de 35 jaar overschrijdt (die 35 correspondeert met de gemiddelde duur van een hypotheeklening in de EU27). Aangezien een groot deel van de schulden terugbetaalbaar is door bedrijven en de gemiddelde winstmarge per jaar slechts 15 procent is, kan van de private schuld voor rekening van bedrijven redelijkerwijze pas 7,5 procent per jaar worden afgelost. Houden we die aflossingstabel ook aan voor de terugbetaling van consumptieve kredieten en hypotheken door gezinnen en voor de terugbetaling van de staatsschuld (wat in praktijk toch nooit gebeurt) dan kan zal een totale schuld ter grootte van het BBP, dus groot 100 %  van het BBP, bij aflossingen van 7,5 procent per jaar, pas na 13,33 jaar worden afgelost.

In tabel 9 zagen we bijvoorbeeld dat de totale schuld van Ierland eind 2014 liefst 496,14 procent van het Ierse BBP bedraagt. Bij een aflossing met  7,5 procent per jaar zal het dus 4,9614 * 13,33 jaar = 66 jaar duren alvorens de totale schuld is terugbetaald. Voor Nederland met een totale schuld van 359,03 % van het BBP zal de terugbetaling van de totale schuld tegen 7,5 procent per jaar dus 3,5903 * 13,33 jaar = 48 jaar duren. Als de Oostenrijkse School juist is dat crises het gevolg zijn van excessieve kredieten dan mogen er vóór de internationale crises in de huidige crisiseconomieën geen schulden geweest zijn met een terugverdientijd van meer dan 35 jaar, maar dan moeten er na vijf jaar internationale crisis enkel nog  crisiseconomieën zijn geweest met een terugbetaaltijd van méér dan 35 jaar. Vergelijken we de toestand in 1998 (een decade vóór de crisis) met die van 2013 (na vijf jaar crisis) dan klopt dat met uitzondering van Nederland en Japan (die vóór de crisis al met excessieve schulden zaten) en van Duitsland, een crisisland, na vijf jaar crisis nog steeds geen excessieve bankkredieten, wonderwel. Vgl. grafiek 8-1 met 8-2.

CHART-8-1-

CHART-8-2

Hierdoor krijgen we op zijn minst al een eerste aanwijzing dat de conjunctuurtheorie van Mises misschien toch niet verdiende om door de gevestigde economie in het verdomhoekje te worden geplaatst. Maar laten we het onszelf toch niet al te simpel maken en laten we een  tweede criterium toevoegen ter demarkering van niet-excessieve en wel-excessieve schulden. Schulden zijn  niet enkel excessief  als het jaren duurt voor ze kunnen worden terugbetaald, ze worden excessief als ze sneller stijgen dan de onderliggende activa: dan worden ze zelfs gevaarlijk omdat ze niet langer ten volle door activa zijn gedekt. Laten we daaroe de situatie van 1995-2007 (vóór de internationale crisis) vergelijken met die van 2008-2013 (na vijf volle jaren internationale crisis). Als Mises gelijk heeft dan mogen er in de periode 1995-2007 in latere crisiseconomieën geen excessieve bankkredieten zijn geweest die sneller stegen dan het BBP (de activa als onderpand van de schuld) en dan moeten we voor de periode 2008-2013 in de crisiseconomieën niets dan bankkredieten vinden die sneller stegen dan het BBP (en daarom excessief waren in de tweede betekenis die we aan dat woord gaven). Vergelijken we hiertoe grafiek 9-1 van vóór de crisis met grafiek 9-2 van nà de crisis.

CHART-9-1

Hierbij valt op dat vóór de crisis zowel in Portugal en in Ierland de totale schuld al iets rapper was gegroeid dan het BBP. Verwonderlijk was dat eigenlijk niet want beide landen worstelden al vroeger met een kredietcrisis na de ineenstorting van de immobiliënmarkt. Beide landen zaten minstens twee jaar eerder dan de rest al met een crisiseconomie opgescheept. Maar in alle andere landen bleven excessieve bankkredieten uit (in de tweede betekenis van het woord). Bekijken we daarna wat er met de crisiseconomieën gebeurde tussen 2008 en 2013. Dan blijft het wel merkwaardig dat in liefst veertien van de zeventien landen die we bestempelden als crisiseconomieën na de crisis hun bankschulden sneller zagen stijgen dan hun BBP waardoor ze met excessieve bakkredieten, in de tweede betekenis van dat woord zaten opgezadeld. Allen in (alweer) Duitsland, in Zweden en in Noorwegen bleven excessieve bankkredieten, in de tweede betekenis van die term uit. Van Noorwegen hoeft dit niet te verwonderen omdat dit land, zoals opgemerkt in het CIA Factbook met betrekking tot externe schulden, eigenlijk meer geld uitleent aan de rest van de wereld dan het zelf ontleen waardoor zijn totale schuld procentueel kon dalen tijdens de crisis. Omgekeerd zijn twee landen die wij nièt bestempelden als crisislanden na 2007 wel in een crisis beland: Rusland om politieke redenen met betrekking tot Oost-Oekraïne en de Krim, en Brazilië dat zijn spectaculaire boom plots tot stilstand zag komen.

CHART-9-21

Wat kunnen we nu uit beide pogingen tot weerlegging van de conjunctuurtheorie van Mises besluiten in verband met de huidige crisis? Dat zowel Nederland als Japan al met excessieve bankkre­dieten opgezadeld zaten, in de eerste betekenis van het woord, hoeft niet te verwonderen. Van Nederland is voldoende geweten dat het worstelt met woonproblemen. Meer dan 70 procent van zijn private schulden – behorend tot de hoogste in de wereld – zijn hypothecaire schulden van gezinnen. Dat Nederland zo’n zware hypotheekschuld heeft kan worden verklaard uit het feit dat het land afgetekend de hoogste woonlasten heeft van de Europese Unie. Nederlanders besteden inderdaad bijna een derde van hun inkomen (30.9 %) aan wonen. Binnen de Europese Unie ligt het gemiddelde op iets meer dan een vijfde (22.2 %). Ronduit slecht is het in Nederland gesteld met de woonlastenquote voor de huurders – dit is het deel van hun huurlasten in het besteedbaar inkomen – 38.7 %. Geen wonder dat Nederlandse gezinnen zich, bij zulke abnormaal hoge huurprijzen, al vroeg in de schulden steken om een eigen woonst te kunnen aanschaffen. Bij huishoudens met de laagste inkomens, die doorgaans niet in aanmerking komen voor een hypotheeklening, gaat bijna de helft van het besteedbaar inkomen (47.8 %) naar woonlasten – hoofdzakelijk huurgelden. Al jaren poogt de Woonbond – evenwel zonder succes – hieraan te verhelpen.

De hoge schuldgraad van Japan is een geheel apart verhaal. Japan was zowat het enig westerse land dat ontsnapte aan de petroleumcrisis van 1973-1988. En toen die overal voorbij was, begon het voor Japan pas slecht te gaan. Daar begon de malaise in 1989 met de leegloop van zeepbellen op de beurs en met een immobiliëncrisis waarbij de banken miljarden verloren op hun vastgoed, aandelen- en kredietportefeuilles. Banken leenden plots geen geld meer aan elkaar. Om uit de rode cijfers te komen liet de centrale bank de Japanse wisselkoersen na de beurs- en bankencrisis rond het nulpunt schommelen waardoor er massaal geld in de economie werd gepompt. Nauw had de economie zich hersteld of in 1997-98 werd Japan slachtoffer van de Aziatische valutacrisis, in Zuid-Oost-Azië beter bekend als de Tom Yam Kung crisis, geen bankencrisis, wel een beurscrisis, waarbij beleggers hun aandelenportefeuille scherp in waarde zagen zakken. Verschillende valuta kwamen nu onder zware druk te staan. Zo verloor de Indonesische rupiah tussen juni 1997 en juli 1998 liefst 83,2 % van zijn waarde tegenover de Amerikaanse dollar, de Thaise baht 40,2 %, de Maleisische ringgit 39 %, de Philippijnse peso 37,4 % en de Zuid-Koreaanse won 34,1 %. In Indonesië daalde het BNP met liefst 83,4 % tussen juni 1997 en juli 1998 en werd president Soeharto tot aftreden gedwongen. In de andere landen daalde het BNP met rond de 40 % wat in Thailand premier Chavalit Yongchaiyudh fataal werd. Omdat het speculeren in aandelen nu omsloeg in een nooit eerder geziene speculatie tegen de lokale munten was het IMF verplicht meer dan 60 miljard Amerikaanse dollar uit te trekken om de voornaamste Zuid-Oost-Aziatische munten na juli 1998 te stabiliseren.

In China en in Hong Kong hield de nationale munt behoorlijk stand en bleven de gevolgen van de Tom Yam Kung crisis beperkt. In China daalde de groei van het BBP wel, maar bleef de economische groei hoog:  5,3 % in 1997 en 7,8 % in 1998; in Hong Kong noteerde men in 1997 nog een economische groei van 5,1 % maar in 1998 een negatieve groei van 5,9 %. In Hong Kong was de recessie een gevolg van een genadeloos speculeren tegen de HK$. Die HK$ vertoonde tot oktober 1997 een 7,8 pariteit met de Amerikaanse dollar. Maar aangezien de nu Chinese stadstaat 80 miljard Amerikaanse dollar in reserve had kon de pariteit met de Amerikaanse dollar worden gehandhaafd. Wel stond de beurs onder grote neerwaartse druk: tussen 20 en 23 oktober 1997 daalde de Han Seng Index met liefst 23 %. Omdat de speculatie tegen de HK$ bleef aanhouden was de HKMA (Hong Kong Monetary Authority) verplicht om de rente in de nacht van 14 op 15 augustus 1998 op te trekken van 8 naar 23 %. Hiermee verklaarde de overheid de oorlog aan buitenlandse speculanten. Tokyo, dat aardig mee had gespeculeerd, deelde hier tien jaar na de bankencrisis weer in de klappen. De nulrente zorgde ervoor dat de private schulden alarmerend bleven oplopen. Eigenlijk is Japan de crisis van eind jaren 1980 nooit nog geheel te boven gekomen.

Japan en Nederland zijn dus een verklaarbare uitzondering op het beginsel dat vóór het losbarsten van de huidige crisis er principieel geen excessieve bankschulden waren. Dat twee BRICS landen, Brazilië en Rusland plots meegesleurd worden in de huidige crisis is zeker geen uitzondering op de ABCT van Mises omdat ze overduidelijk werden meegesleurd in de stroming van de excessieve bankkredieten. Dat Portugal en Ierland al voor 2008 in crisis zaten is evenmin in tegenspraak met de conjunctuurtheorie van Mises omdat een crisis van radicale misinvesteringen op de immobiliënmarkt op gang werd gebracht door goedkope woonkredieten.

Waar de theorie van Mises wél tekort schiet met betrekking tot de huidige crisis is de toestand in Duitsland en Zweden (in veel mindere mate in het olierijke Noorwegen als bankier van de rest van de wereld) waar er duidelijk wél crisis heerst zonder dat er excessieve bankkredieten werden vastgesteld – in Duitsland in de twee betekenissen van het woord, in Zweden enkel in de tweede betekenis. Mijn onderzoek moet zeker niet worden versleten als een apologie voor Mises en de Oostenrijkers. Als macro-econoom en econometrist – twee domeinen waarvoor de Oostenrijkse School, tenminste toch de Mises-strekking, niet de minste ruimte laat – had ik inderdaad gehoopt dat mijn onderzoek tot een weerlegging van de conjunctuurtheorie van Mises zou hebben geleid. Wetenschappelijke eerlijkheid verplicht mij te erkennen dat er dus een stevige grond van waarheid achter de conjunctuurtheorie van Mises schuil gaat, hoe hard de gevestigde economie dit ook moge ontkennen. Abnormaal hoge schulden moeten op zijn minst betrokken worden in de verklaring van structurele crises, zowel voor de Grote Depressie (onderzoek op basis van cijfers voor de Verenigde Staten en voor het Verenigd Koninkrijk, die ik hier achterwege laat) als voor de huidige structurele crisis. Over de Lange Depressie is het veel moeilijker een oordeel te vellen omdat hier eigenlijk enkel statisch materiaal van de Britse historicus Brian Mitchell voorhanden is – te beperkt voor een grondige analyse. Wat wel vast staat is dat excessieve bankkredieten geen rol hebben gespeeld in de geheel aparte derde structurele crisis, de petroleumcrisis die vooral een verhaal van te lage schaalelasticiteiten was (bewijs hiervoor laat ik beknoptheidshalve achterwege). Of kortstondige conjuncturele crises afdoend kunnen worden verklaard met de ABCT durf ik te betwijfelen omdat de depressie er te kort is om meteen de misinvesteringen te liquideren.

Besluit

De aparte situatie in Duitsland en het falen van de ABCT om de petroleumcrisis te verklaren doen vermoeden dat structurele crises te complex zijn om monocausaal te kunnen worden verklaard via hetmechanisme van de te lage marktrente, te hoge bankkredieten en misinvesteringen. Zeker, als econoom op zoek naar een verklaring voor persistente structurele crises, schiet men er een heel eind mee op, ver genoeg om de excessieve bankkredieten bij ieder onderzoek te betrekken. De bedoeling van dit boek gaat echter een eind verder: eens een consistente verklaring voor de langdurige crises gevonden – wat uit na lectuur van de volgende hoofdstukken wel duidelijk zal worden – moet er ook worden gezocht naar een aanvaardbare oplossing. Hierin verschil ik radicaal van de Oostenrijkse School die geheel niet op grond van wetenschappelijke argumenten, maar op grond van ultra-liberale vooringenomenheid, besluit dat de enige oplossing voor crises er uit bestaat niets te doen. Het door de Oostenrijkers aanbeden laissez-faire heeft niets met wetenschap te maken, is een vorm van geloof. Als we de Oostenrijkers in hun oplossing van niets doen volgenomdat we alles alleen maar kunnen verergeren, dan zijn economische crises een fatum, een soort natuurramp die we moeten orgaan, te vergelijken met een storm of een orkaan waarvoor we moeten gaan schuilen tot die uitgeraasd is. Want dit is tot slot wat de Oostenrijkers doen, schuilen in de jachthut van het laissez-faire tot de crisis uitgeraasd is.

Wie echter verder denkt, in de richting die Mises ons heeft gewezen, zal toch wel snel beseffen dat we aan de weg verder timmeren terwijl een kanjer van een zeepbel ons complete monetair systeem bedreigt. Het is alsof we over een snelweg zouden rijden gedragen door niets dan balonnen.  Er al eens bij stll gestaan wat het wordt als kleine landjes als België, Nederland, Denemarken, Zweden, Ierland of Noorwegen schulden blijven opstapelen? Men kan onmiddellijk narekenen dat de doorsnee Belg (vrouwen, jongeren tot boorlingen inbegrepen) nu al op een totale schuld van 125.753 euro per hoofd zit, dat is amper een habbekrats minder dan de doorsnee Amerikaan die heel andere uitwegen heeft mocht de zeepbel van ons complete monetair systeem uiteenspatten. Hier een paar cijfers op een rijtje over de totale schuld per hoofd:

  • Verenigde Staten   127.374 euro
  • Nederland             147.657 euro
  • Denemarken 156.333 euro
  • Zweden                156.364 euro
  • Ierland                 180.634 euro
  • Noorwegen           233.606 euro.

Vergelijk dit dan eens met een paar grote landen als:

  • Indië                    1.174 euro
  • Rusland                7.253 euro
  • China                   8.529 euro
  • Brazilië                 12.845 euro
  • Duitsland              85.763 euro
  • Verenigd Koninrijk 98.251 euro
  • Frankrijk              109.811 euro.

Of denken jullie nu echt dat er helemaal geen rem op de opgestapelde schulden staat, schulden die steeds groter worden, die vooral in kleine landen tieren als onkruid. En toegegeven, voor de overheid zijn schulden geen probleem, die werken al decennia lang met een ponzi systeem. Om de houders van kasbons, schatkistcertificaten en staatsobligaties te kunnen uitbetalen maken overheden doodgewoon nieuwe schulden, geven ze nieuwe kasbons, schatkistcertificaten en staatsobligaties uit. Voor overheden mogen schulden tot voorbij de hemel groeien, daarop staat geen limiet en zeker de sky niet. Geheel anders vergaat het de bedrijfsleider, de zelfstandige, de bediende, de arbeider, die zijn schulden moet aflossen: hij kan niet eeuwig geld bij een ander gaan lenen om zijn poef af te lossen, hij is geen Staat, slechts één van de miljoenen kleine burgers die het geldversindend monster Staat op de been moet houden.

Ook al eens nagedacht wat er zal gebeuren als de monetaire zeepbel ontploft – want dat hij zonder drastisch ingrijpen vroeg of laat zal ontploffen is nu al voorspelbaar. Dan krijgen we wereldwijd een hyperinflatie, kunnen we straks de koffer van onze limousine volstouwen met waardeloos papier om één brood of één ei te kopen, niet de twee tegelijk want daarvoor zal onze koffer te klein zijn. Dan kunnen we ’s advonds de open haard aansteken met bankbiljetten die tegen dan tien tot honderd keer minder waard zijn dan ’s morgens, nog enkel nuttig om verstookt te worden. Het gebeurde eerder al in de Duitse Weimar Republiek, in 1922. Maar hier zal geen genie als bankier Hjalmar Schacht klaar staan om de uitgang te wijzen. Want op wat steunt de waarde van ons geld, bijvoorbeeld van de euro? Op het aantal dollars, ponden en yen die de ECB in kas heeft. En op wat steunt dan de waarde van het pond? Op de euro’s, dollars en yens die de Bank van Engeland in kas heeft. En waarop steunt de waarde van de yen? Inderdaad. Ook weer op dollars, euro’s en ponden. En de dollar? Op petroleum die de Amerikanen zelf moeten aanvoeren uit de Arabische landen. Maar de petrodollar is een fictie, is in werkelijkheid op evenveel lucht gesteund als waarop het pond, de euro, de yen gesteund zijn. En o ja, op een laatste restje goud dat in Fort Knox nog ligt opgestapeld, nauwelijks genoeg om de waarde van het papier te dekken. [Allez, voor mij persoonlijk zal de hyperinflatie nog meevallen, dan kan ik eindelijk de paar honderd miljoen roerende voorheffing betalen die de fiscus, heel dapper niet bij mijn klanten durfde te halen omdat die in elke zak wel een paar ministers hadden zitten, wel bij mij. Als het zo ver komt – en ja, natuurlijk komt het zonder resoluut ingrijpen – koop ik ’s morgens een ei en betaal ik ’s middags mijn (hun) hele rekening bij de fiscus, dan hooguit met de eierschelp.] 

Als de zeepbel van ons monetair systeem ontploft zullen de grote landen, met de Verenigde Staten, China en Rusland op kop, grijpen naar de politiek als hoogste stadium, wordt het tijd voor een algemene oorlog. Kleine landjes worden dan als kruimels van de tafel en van de kaart geveegd. Dat is wat ons wacht als we straks de monetaire zeepbel door niets doen laten uiteen spatten.

Ik zou dus wel goed gek moeten zijn om te gaan schuilen in de jachthut van oom Mises, met naast hem Adam Smith en zijn onzichtbare hand, ook Jean-Baptiste Say met zijn wet van heb-ik-je-nou, om daar met dat drietal te wachten tot de paddestoelvormige nucleaire wolken langzaam wegdrijft en het radioactief stof uit de hemel neerdaalt. Want niets doen zal vroeg of laat naar niets anders dan dat neigen, na de hyperiflatie die alle deviezen even waardeloos zal maken als ze nu al zijn. Er moet nu gewerkt worden aan de herziening van ons complete monetair systeem, bijvoorbeeld door een gedeeltelijke herinvoering van de gouden standaard of door een vorm van fractioneel reservebankieren waarbij de kredietmultiplicator niet hoger mag oplopen dan twee door de minimumliquiditeit van private banken op te trekken tot vijftig procent. Mensen die geld te goed hebben van banken zullen moeten leren aanvaarden dat bij een faling minstens de helft zal zijn gedekt, nooit voor het volle pond. Het wordt tijd dat men ophoudt de burger blazen wijs te maken, blazen als zou de overheid garant staan voor elke 100.000 euro per bankrekening. Uit welke hoge hoed zal een overheid die bulkt van de schulden al die witte konijnen van 100.000 euro tevoorschijn toveren? Toch niet uit die van Bart, van Charles, van Chris; niet uit die van Mark, van Diederik, van Maxime.

Zoveel is wel duidelijk: de complete politieke kaste, hier en elders, beseft niet over welke zeepbel we via de immer stijgende schuldenlast aan het rijden zijn. En dat we niets zouden kunnen doen wat de boel niet nog erger maakt, zoals oom Mises zei, houdt trouwens geen steek. Als crises inderdaad ontstaan door geldschepping, waarbij de marktrente onder de natuurlijke rente zakt, dan kunnen we ze in de toekomst toch onmogelijk maken als we overschakelen van fractioneel reserve bankieren naar full reserve banking. Dat volgt rechtstreeks uit de analyse van Mises’ ABCT. Economie is geen demon van Laplace, is geen speeltuin voor deterministen, is geen bron van onafwendbare natuurrampen. Als we de problemen goed hebben begrepen,  creatief genoeg zijn en out of the box durven denken dan zijn er altijd oplossingen, bestaat er altijd een aantal alternatieven.

VOORAANSTAANDE ECONOMEN (1)

ECONOMEN01


[1] De economie als wetenschap begint bij de Brit Adam Smith (1723-1790) met zijn standaardwerk An Inquiry in the Nature and  Causes of Wealth of Nations (1776)De belangrijkste klassieke economen in het voetspoor van Adam Smith zijn de Britten Jeremy Bentham (1748-1832), Thomas Malthus (1776-1834), David Ricardo (1772-1823), James Mill (1773-1838) en John Stuart Mill (1806-1873); voorts de Fransman Jean-Baptise Say (1767-1832) en de Duitser Johann Heinrich von Thünen (1783-1850). Doorgaans rekent men de Duitser Karl Marx (1818-1883) ook tot de klassieke economen, al deelt hij de stellingen van zijn voorgangers geenszins. Met Marx ontstaat er een splitsing tussen de (brave) burgerlijke economie en de revolutionaire marxistische economie – splitsing die via het neomarxisme tot op vandaag is blijven bestaan.

[2] De gouden standaard kon na afloop van de Burgeroorlog niet meteen weer worden ingevoerd omdat er een duidelijk tekort was aan goud in een land waar door immigratie de bevolking snel steeg. Het zou nog tot 1900 duren alvorens de gouden standaard opnieuw officieel werd ingevoerd in de Verenigde Staten.

[3] Een voorloper van de neoklassieke economie was de Fransman Augustin Cournot (1801-1877), zelf een wiskundige, die in 1838 in zijn Recherches sur les principes mathématiques de la théorie des richesses wiskundige formules gebruikte om de concurrentie te bestuderen. Het zal nog tot 1871 duren alvorens hij navolging krijgt bij de Oostenrijker Carl Menger (1840-1921) in diens werk Principles of Economics. De klassieke economen wordt verweten dat ze inductief te werk gingen en hun wetmatigheden enkel afleidden uit empirische waarnemingen. Carl Menger betoogde dat economie niet louter empirisch mocht worden bestudeerd (zoals de aanhangers van de Jong Historische School deden), maar dat economische wetmatig­heden moesten kunnen worden afgeleid uit deductieve redeneringen. Dit heeft geleid tot het mathematiseren van de economie dat zo typisch is voor de neoklassieke economie (iets waarmee Menger ongelukkig was). Nog in 1871 zorgt de Brit William Stanley Jevons (1835-1882) met zijn Theory of Political Economy voor een revolutie in het economisch denken door de arbeidswaardetheorie van de klassieken te verwerpen. Niet de gepresteerde arbeidstijd om een waar, inclusief zijn grondstoffen, te produceren bepaalt volgens Jevons de waarde van een waar, wel het grensnut, dat is de marginale nuttigheid van die waar. De Fransman Léon Walras (1834-1910) gebruikte het grensnut om een theorie van het algemeen evenwicht te ontwerpen waarbij de consument en de prijzensamenhang centraal stond. Hoewel hij in zijn Eléments d’économie pure (1874) dacht een waardevrije economie te hebben ontwikkeld was het finaal toch een pleidooi voor het behoud van het laissez-faire. Bij de Italianen Maffeo Pantaleone (1858-1924) en Vilfredo Pareto (1848-1923) leidde dit tot een scherpe afkeer van het socialisme en de ophemeling van het fascisme. Maar de grote voorman van de neoklassieke economie werd de Brit Alfred Marshall (1842-1924) wiens Priciples of Economics van 1890 hét standaardwerk van de burgerlijke economie werd. Daarin zette hij uiteen dat het zinloos was te discuteren of het aanbod dan wel de vraag de motor van de economie was. Wel vond hij dat er te veel aandacht werd besteed aan het grensnut ter bepaling van de vraag. Aan de universiteit van Cambridge werd zijn werk verder gezet door Arthur Cecil Pigou (1877-1959) die in 1920 grote bekendheid verwierf met zijn boek The Economics of Welfare waarin hij het laissez-faire van zijn voorgangers voorzichtig opzij schoof door problemen met externaliteiten (bijvoorbeeld bij dalende of stijgende schaalopbrengsten) op te vangen met een naar hem genoemde Pigou-taks. In 1933 gaat de neoklassieke economie – die altijd zwoer bij volkomen concurrentie – een nieuwe richting uit als de Britse Joan Robinson (1903-1983) en de Amerikaan Edward H. Chamberlin (1899-1967) volop aandacht gaan besteden aan de onvolkomen mededinging. Hieruit ontstaat de neo-Ricardiaanse School, een maatschappijkritische benadering van de economie die breekt met het laissez faire, met naast Robinson ook de Brit Maurice Dobb (1900-1976) en de Italiaan Piero Sraffa (1898-1983) als voortrekkers. Ondertussen was ook de Oostenrijkse School na Carl Menger een geheel eigen weg opgegaan met Eugen Böhm-Bawerk (1851-1914), Ludwig von Mises (1881-1973) en Friedrich Hayek (1899-1992) als meest vooraanstaande vertegenwoordigers.

[4] Men moet een onderscheid maken tussen drie Keynesiaanse scholen die na de Tweede Wereldoorlog zijn ontstaan. (1) Zo is er de Post-Keynesiaanse economie die het dichtst aansluit bij de General Theory en die de effectieve vraag – dat is de voorgenomen vraag – centraal stelt en uitbreidt tot de lange periode, daar waar Keynes die beperkte tot de korte periode. Ook hechten post-Keynesianen belang aan allerlei spill over effecten, bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt en de kredietmarkt. Deze neveneffecten, die in de General Theory slechts occasioneel ter sprake kwamen, worden hier cruciaal. Vertegenwoordigers zijn de Pool Michal Kalecki (1899-1970), de Russisch-Britse Abba P. Lerner (1903-1982), de Hongaar Nicholas Kaldor (1908-1986), de Amerikanen Sydney Weintraub (1914-1983), Hyman Minsky (1919-1996) en Paul Davidson (°1930), en de Italiaan Luigi Pasinetti (°1930). De post-Keynesianen verwerpen het IS-LM model dat de neo-Keynesiaanse econoom John Hicks uit de General Theory meende te kunnen afleiden. De neo-Ricardiaanse School van Joan Robinson kan beschouwd worden als een aftakking van het post-Keynesianisme. (2) De Neo-Keynesiaanse School probeert een brug te slaan tussen de neoklassieke theorie van Alfred Marshall en de General Theory. Ze is uitgesproken macro-economisch en streefde naar de neoklassieke synthese die het Keynesiaanse denken en het overwegend micro-economische neoklassieke denken verbindt. De meest notoire vertegenwoordigers zijn de Brit John Hicks (1904-1989), de Amerikaan Paul Samuelson (1915-2009) en de Italiaan Franco Modigliani (1918-2003). (3) De New Keynesian economics is een school van macro-economen die de Keynesiaanse economie een micro-economische onderbouw poogt te geven. Ze gaan akkoord met de nieuw-neoklassieke econoom John Lucas jr dat gezinnen die consumeren en bedrijven die produceren rationele verwachtingen hebben, maar dat lonen en prijzen moeilijk onmiddellijk kunnen wijzigen omdat ze daarvoor “too sticky” zijn. Ze erkennen dat de economische groei af te rekenen heeft met een hele reeks van fricties waarmee rekening dient te worden gehouden. Ze zijn voorstanders van wat de new neoclassical synthesis wordt genoemd. Vertegenwoordigers zijn de Belgische macro-econoom Jacques Drèze (°1929), de Amerikaanse macro-economen Joseph Stiglitz (°1943), Paul Krugman (°1953), Michael Woodford (°1955), Gregory Mankiw (°1958) en de Portugees Ricardo Reis (°1978). Een geheel aparte plaats bekleden de Amerikaan Robert Clower (1929-2011) en de Zweed Axel Leijonhufvud (°1933) die een aparte plaats binnen de new Keynesian School bezetten en die bijvoorbeeld grote invloed hadden op Jacques Drèze. Leijonhufvud is het oneens met de stelling van Hicks dat rigide lonen een verklaring zouden zijn voor de werkloosheid, wat trouwens on-Keynesiaans is. Ook is hij ongelukkig met de neoklassieke synthese. Volgens hem werken autoregulerende mechanismen als beschreven door de neoklassieke economie enkel binnen een zekere corridor. Eens crises diepgaand en langdurig genoeg zijn werken die autoregulerende mechanismen niet meer, zeker als de interbancaire markt bevroren geraakt en banken elkaar niet langer vertrouwen.

[5] De New neoclassical economics is een school van economen die de traditie van de neoklassieke economie verderzetten zonder nog langer te zweren bij de verdwenen volkomen concurrentie of bij het laissez-faire van hun voorgangers. Grondlegger is de Amerikaan Robert E. Lucas jr (°1937) die verder bouwde op de rational expectations theory van zijn landgenoten Herbert A. Simon (1916-2001) en John Muth (°1930). In 1972 trok Lucas de stelling van de Nieuw-Zeelandse econoom William Philips (1914-1975) in twijfel als zou er een correlatie bestaan tussen  lage werkloosheid en hoge inflatie. Lucas vond dat de macro-economen fout waren omdat ze ervan uit gingen dat de economische agenten hun gedrag baseerden op adaptieve verwachtingen gesteund op het verleden. Wie zich een huis laat bouwen zal zich niet baseren op de gemiddelde inflatie uit het verleden, maar zal veeleer kijken naar het monetair beleid en de economische situatie van nu. Hieruit ontstond  een nieuwe benadering van econometrie. Geïnteresseerd in de nieuwe neoklassieke synthese vervangt een aantal aanhangers van de new Keynesian economics de econometrische modellen van de neo-Keynesianen [die verder bouwen op de grondleggers van de econometrie, Jan Tinbergen (1903-1994) en Lawrence Klein (1920-2013)] door micro-economisch gefundeerde DSGE modellen, dat zijn dynamic stochastic general equilibrium modellen die vertrekken van de Bayesiaanse waarschijnlijkheidsstatistiek. Grondleggers hiervan zijn Finn E. Kydland (°1943) en Edward C. Prescott (°1940) die de RBC (real business cycle) theorie ontwikkelden en de inzichten van de new Keynesian economics verwierpen. Het eerste bruikbare DSGE model werd door de Belgen Frank Smets en Raf Wouters pas in 2002 voor de ECB gebouwd.

[6] In het systeem van Keynes is het de overheid die in crisistijd geld moet lenen om of subsidies te geven aan bedrijven in moeilijkheden, om of grote openbare werken te financieren. Dit gaat gepaard met een flinke toename van de schulden en met een hele reeks misinvesteringen. Van de banken – a fortiori de centrale banken – wordt verwacht dat ze in crisistijden de rente laag houden om de investeringen te bevorderen. Het resultaat van dit alles is een indrukwekkende kredietexpansie die, zo toonde de Oostenrijkse School aan, de crisis alleen maar aanzwengelt in plaats van haar doeltreffend te bestrijden.

[7] De Glass-Steagall Act werd in 1933, volop tijdens de Grote Depressie, ingevoerd om controle te verwerven over private banken die werkten met spaardeposito’s. Spaarbanken was het verboden te speculeren, iets wat voorbehouden bleef aan zakenbanken (investeringsbanken). De Glass-Steagall Act werd in 1999 definitief afgeschaft waardoor banken voortaan konden speculeren met de spaardeposito’s van de burgers.

[8] Volgens Marx wordt de waarde van een waar gegeven door de enkelvoudige arbeidstijd die nodig is om die waar te produceren, enkelvoudig in de zin dat men de gepresteerde arbeidstijd moet uitdrukken als was ze gepresteerd door een werker zonder ervaring of schoolse opleiding. Centraal in het denken van Marx staat de gedachte dat het kapitalisme arbeidskracht heeft gereduceerd tot een koopwaar die de werker levert aan de eigenaar van kapitaal. De waarde van de arbeidskracht wordt bepaald door de enkelvoudige arbeidstijd die benodigd is om haar te reproduceren, dus door de waarde van alle waren die de werker moet verwerven om zijn/haar arbeidskracht te reproduceren. Tussen de waarde van een waar, uitgedrukt in tijdseenheden, en de waarde van de arbeidskracht, benodigd om die waar te produceren, bestaat een verschil, de meerwaarde. Op de markt waar de waren worden verkocht worden waarden (in tijdseenheden) omgezet in prijzen, lonen en winsten. Een cruciale fout in het denken van Marx is dat hij arbeidskracht wil uitdrukken in tijdseenheden en niet, zoals het hoort, in energiekwanten. De waarde van een waar wordt bepaald door de (niet verspilde) energie die nodig is om de waar te reproduceren, dus door de inzet van menselijke, natuurlijke en machinale energie. Dit werd de basis van mijn energiewaardetheorie die ik in 1979 aan de KUL heb voorgesteld, vergezeld van de vrij orthodoxe Marxist Ernest Mandel, aan een groep economen, onder wie Paul de Grauwe. De verrassende conclusie was dat er geen verschil kon zijn tussen de door de werker geleverde menselijke energie en deze die benodigd is om haar te reproduceren, zo niet zou de wet van behoud van energie geschonden zijn. Meerwaarde ontstaat niet uit een systeem van gelegaliseerde uitbuiting, zoals Marx beweert, maar uit de marktomstandigheden. Een producent die een waar kan leveren met inzet van minder energie dan zijn concurrent kan op een markt van volkomen concurrentie inderdaad meerwaarde realiseren: de waarde van zijn waar is des te lager naarmate er voor de productie minder energie moet worden ingezet, maar op de markt wordt de waarde wel omgezet in een prijs die voor alle concurrenten dezelfde is. De meer arbeidsproductieve concurrent beurt dus een meerwaarde die op de markt wordt omgezet in winst. Veranderen de marktomstandigheden, door het verdwijnen van de volkomen concurrentie ten voordele van oligopolie- of monopolie kapitalisme, dan krijgt de producent de mogelijkheid om zijn waar ver boven de energetische waarde te verkopen, waardoor hij concurrentie kan uitschakelen. Het wordt 36 jaar later allicht tijd dat ik mijn energiewaardetheorie te boek stel, al vrees ik dat geen enkele uitgever daarin zal geïnteresseerd zijn.

[9] Het monetarisme is nauw verbonden met de School van Chicago waar de ultra-liberale econoom Milton Friedman (1912-2006) de toonzetter was. Volgens hem was de Grote Depressie niet ontstaan door een gebrek aan investeringen, zoals de Keynesianen voorhielden, maar door de verkeerde politiek van de FED die, bevreesd voor inflatie, de fatale geldcontractie had veroorzaakt. Hij is – scherp in tegenstelling tot Mises – een tegenstander van de gouden standaard omdat hij de groei van het geldaanbod wil beperken tot een vast percentage per jaar. De voornaamste taak van de overheid blijft het beperken van de inflatie door monetaire controle waarbij de hoogte van de rentevoet cruciaal is. De school van Chicago heeft een waslijst van topeconomen opgeleverd die net als Friedman een Nobelprijs voor economie in de wacht sleepten. Onder hen Frank Knight (1885-1972), Ronald Coase (1910-2013), George Stigler (1911-1991), Robert Fogel (1926-2013), Robert Lucas Jr (°1937), Eugene Fama (°1939), Richard Posner (°1939), en Lars-Peter Hansen (°1952).

[10] Het falsificationisme van Popper is volgens mij een naïeve dwaling. Bij de observatie van tal van toestanden in de wereld – dus bij het ondersschrijven van existentiële proposities – is een microscopische waarneming onvermijdelijk. Maar hoe kan ik die waarneming onderschrijven als ik tezelfdertijd met Popper moet aanvaarden dat universele proposities niet verifieerbaar zijn. Bij het gebruiken van de microscoop onderschrijf ik stilzwijgend de juistheid van de universele proposities van de leer van de optica. Als ik daarna concludeer dat ik via microscopisch onderzoek ex post een existentiële propositie heb geverifieerd dan ben ik wel erg lichtgelovig omdat ik stilzwijgend iets deed wat niet kon, namelijk de universele wetten van de optica heb onderschreven. Ik blijf Popper, bij wie ik ooit wilde doctoreren, een over het paard getilde wetenschapsfilosoof vinden. Ook zijn weerlegging in The Poverty of Historicism dat het Marxisme onwetenschappelijk zou zijn, omdat het enkel gebaseerd zou zijn op trends – wat trouwens onjuist is – en omdat trends onwetenschappelijk zijn was veeleer een proeve van politieke vooringenomenheid dan van ernstig wetenschappelijke analyse. In plaats van aan te tonen dat het Marxisme wankelt op een fout geïnterpreteerde waardeleer, laat Popper dit hoofdstuk onbesproken en  opteert hij zonder verder betoog voor de waardeleer van de Britse marginalisten (Jevons en Marshall), ondanks het feit dat die vertrekken van het onmeetbaar ordinaal concept grensnuttigheid. Waarom dan het ene, het Marxisme, onwetenschappelijk omdat het met onmeetbare trends werkt, en is het liberale marginalisme wél wetenschappelijk, terwijl het net zozeer met onmeetbare begrippen werkt? Hier is de vooringenomenheid van Popper, die levenslang getraumatiseerd bleef door een Marxistische moordaanslag op zijn collega Moritz Schlick, neergeschoten op de trappen van de universiteit van Wenen, overduidelijk.

[11] Tot de Stockholmse School behoren ook Gustav Cassel (1866-1945) die de koopkrachtspariteit theorie van de wisselkoersen bedacht; Erik Lindahl (1891-1960) die een theorie over prijzen en publieke goederen ontwikkelde; Gunnar Myrdal (1898-1987) die (samen met Friedrich Hayek) de Nobelprijs economie won voor zijn pionierswerk over de geldtheorie en voor zijn multidisciplinaire studie van economische problemen die onlosmakelijk verbonden waren met sociologie en institutionalisme; en de latere Nobelprijswinnaar Bertil Ohlin (1899-1979), die een theorie over de internationale handel uitdokterde. Twee jaar na ontvangst van de Nobelprijs was Myrdal erover verbolgen dat de ultraliberaal Milton Friedman, die ooit nog had gewerkt voor de Chileense dictator Augusto Pinochet, in 1976 ook de Nobelprijs voor economie toebedeeld kreeg. Hij pleitte voor de afschaffing van de prijs omdat hij vooral om ideologische motieven werd uitgereikt en omdat economie geen politiek zuivere wetenschap was. Zijn echtgenote, Alva Myrdal, won in 1982 de Nobelprijs voor de Vrede. 

 

Share

By