Boeken

KRONIEK VAN EEN ONAANGEKONDIGDE MAAR VERWACHTE TERREUR

Posted on 2min read596 views

Vanaf het moment dat uitlekte dat de aangehouden Salah Abdeslam de goedkope spijtoptant wilde uithangen wisten de veiligheidsdiensten dat een nieuwe terreuraanslag op til stond. In Zaventem bliezen de broers Ibrbahim en Khalid El Bakraoui zich op. Een derde geestelijk gestoorde salafist in dienst van ISIS was te laf om zichzelf op te blazen en is op de loop. Wat de aanslag in de metro onder de Wetstraat betreft is het nog onduidelijk of die al dan niet om een zelfmoordterrorist ging, al lijkt mij dat waarschijnlijk. Uit de verklaring van de taxichauffeur die de broers El Bakraoui en hun compaan naar Zaventem vervoerde blijkt dat allicht twee andere stukken salafistisch ongedierte van plan waren in Zaventem toe te slaan. Het is dus niet onwaarschijnlijk dat nog vier gekken op vrije voeten zijn.


Wie graag nuttige achtergrondinformatie wil melde zich aan op mailadres politiek2@gmail.com. Zo heb ik de PDF tekst van mijn onuitgegeven boek over het kalifaat, dat ik van mijn computer verwijderde, terug op de kop kunnen tikken bij een vriend. Voorts is een erg verhelderende tekst (pp. 81-124) van mijn nieuwste boek over de vreemdeling en de tussengroepsangst binnen de week beschikbaar. Ik vond een tekst van Stephan & Stephan van 2000 die gebruikt kan worden om de graad van radicalisering te voorspellen. Econometrische toepassing van hun Integrated Threat Theory of Prejudices toont aan dat toenemend extremisme de polarisatie tussen autochtone bevolking en moslims versterkt waardoor die polarisatie stijgt en de kans op aanslagen door een piepkleine minderheid van salafistische geradicaliseerde moslims toeneemt. Laat mij weten of je geïnteresseerd bent in die achtergrondinformatie.

UITTREKSEL UIT HOODSTUK 3 OVER DE POSTMODERNE ANGST VOOR DE VREEMDELING

Posted on 3min read780 views

(wie de volledige tekst wil meldde zich aan op mijn email adres "politiek2@gmail.com").

De toename van het aantal niet-westerse vreemdelingen – meer specifiek van de moslims onder hen – leidt in heel Europa tot de wijd verspreide perceptie dat het er veel meer zijn dan er in werkelijkheid zijn. Het onderzoeksbureau Ipsos Mori publiceert jaarlijks de zogenaamde Index of Ignorance. Daaruit blijkt dat mensen behoorlijk last hebben om een aantal fenomenen die typisch zijn voor de postmoderniteit correct in te schatten. Op de vraag hoeveel immigranten er in hun land zijn antwoorden Italianen dat het om 30 procent gaat, terwijl het er slechts 7 procent zijn. (Met “migranten” bedoelen de onderzoekers personen met een vreemde nationaliteit, niet de etnische afkomst.) De Amerikanen zitten er 19 procent naast: ze denken dat het om 32 procent gaat terwijl het er in werkelijkheid slechts 13 procent zijn. Van de ondervraagden uit 14 landen zitten de Belgen er als derde het verst naast. In België hadden op 1 januari 2015 1,26 miljoen of 11,20 procent van de bevolking een vreemde nationaliteit (dus niet verwarren met de etnische herkomst, want dan gaat het om 1,8 miljoen of 16 procent van de bevolking). De ondervraagde Belgen dachten dat het om 29 procent ging en zaten er dus bijna 18 procent naast. Australiërs en Zweden zaten het minst fout, maar toch ook met een overschatting van 7 procent. Op de vraag hoeveel procent moslims er in hun land zijn zaten de Belgen er het verst naast. Ze dachten dat het om 29 procent ging, terwijl het er in werkelijkheid net geen 5 procent zijn, een fout van 24 procent. De Fransen maakten een fout van 23 procent, de Britten en Italianen van 16 procent, de Amerikanen van 14 procent. Minst slecht scoorden de Polen met een overschatting van 5 procent en de Japanners met een overschatting van 4 procent. De onderzoekers concludeerden: “People (…) massively overestimate the proportion of Muslims.” Op de vraag hoeveel procent van de bevolking christelijk is was – behalve voor Zuid-Korea, Japan en Hongarije – de onderschatting algemeen. “In contrast to the Muslim question, majority-Christian countries tend to underestimate how many people count themselves as Christian.” Ook de vergrijzing van de bevolking, typisch voor de postmoderniteit, wordt verkeerd ingeschat en in de 14 landen kolossaal overschat: in Italië en Polen zelfs met 27 procent, met een minimale fout van 14 procent in Zweden.


Wat bij dat soort onderzoeken opvalt is dat de foute inschatting groter wordt naarmate de leeftijd van de ondervraagde hoger is. Op de vraag hoeveel kinderen op 100 buiten het huwelijk geboren worden onderschatten de 65-plussers het percentage voor België (54,4 procent) met liefst 40 procent, de Nederlandse senioren met 32 procent (47,7 procent in werkelijkheid). Bij jongeren van tussen de 15 en 25 jaar is de overschatting 7 procent in België, 5 procent in Nederland (eigen onderzoek). Dit wijst er op dat ouderen nog steeds geloven dat het huwelijk de hoeksteen is van de gezonde samenleving, terwijl jongeren – die in volle postmoderniteit geboren zijn – veel beter beseffen dat het huwelijk al lang niet meer de hoeksteen is van de gezonde samenleving. Kwantitatieve veranderingen in de maatschappelijke organisatie worden bestudeerd door de sociale dynamica. Mensen zien blijkbaar onvoldoende dat de samenleving grondig veranderd en hebben een maatschappijbeeld dat tijdens hun jeugd werd gevormd. De juiste perceptie van de samenleving waarin ze leven wordt des te foutiever naarmate ze ouder worden. Die verkeerde perceptie is bron van onzekerheid en angst. 


Bloed- en bodemidioten – stijl Pegida, Vlaams Belang, PVV, Front National, AfD (Alternative für Deutschland), PiS (Recht en Rechtvaardigheid in Polen) – zwengelen die angst aan door ze een voorwerp te geven: het verschil tussen angst en vrees is dat angst eigenlijk geen voorwerp heeft, dat het de angst voor het onbekende is, terwijl vrees altijd een voorwerp heeft (bijvoorbeeld pleinvrees, smetvrees, vliegvrees, enzovoort). Het voorwerp van de postmoderne angst voor de vreemdeling is de voorstelling dat die vreemdeling een bedreiging is voor de Volkssubstanz: de eigen volksaard zou bedreigd zijn. Zo circuleert op het internet sinds april 2013 onder de titel Die Deutsche Volkssubsstanzc stirbt aus! een videofilmpje met de flagrante leugens als “Im Jahr 2020 leben in Deutschland etwa soviel Austländer wie Deutsche! Etwa 2035 werden die Deutschen nur noch ein Drittel der Bevölkerung ausmachen!”

DE TOEGENOMEN ANGST VOOR DE VREEMDELING

Posted on 2min read735 views

Vreemdelingen van niet-westerse herkomst zijn een typisch fenomeen van de postmoderniteit. Zo waren er in Nederland halverwege de jaren 1960 (golden sixties) minder dan 6000 vreemdelingen van Turkse of Marokkaanse afkomst. In België waren er 461 Marokkanen en 320 Turken. Bij aanvang van de postmoderniteit in 1970 waren er steeds nog maar 129.000 vreemdelingen van niet-westerse afkomst (toen vooral Surinamers) in Nederland. Eind 2015 waren dat er al 2.038.500 en tegen 2060 zullen dat er volgens het CBS 3.236.600 zijn. In België waren er in 1970 nog maar 82.888 niet-westerse vreemdelingen. In 2015 zijn dat er al 733.115. Tegen 2050 worden dat er 1.149.000. Ongeveer 70 procent van de niet-westerse vreemdelingen zijn in België moslim. In Nederland is dat slechts 50 procent. De niet-westerse vreemdeling in het straatbeeld is duidelijk een postmodern verschijnsel. Europa is veel te lang blijven geloven in de multiculturele samenleving en heeft vooral tijdens de petroleumcrisis van 1973-1990 de controle over het vreemdelingenbeleid verloren. De niet-westerse vreemdelingen hebben zich vooral in grote steden geconcentreerd. In Nederland zijn dat Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag. In België de Brusselse gemeenten, Antwerpen, Genk, Vilvoorde en Mechelen. In Sint-Joost-ten-Node is al 43,7 procent van de bevolking moslim, in Molenbeek 37,6 procent. Dit alles en veel meer kan je lezen in het derde hoofdstuk (pp. 81-123) van mijn boek over de postmoderniteit. Wie er de tekst van wil in PDF formaat gelieve 14.95 euro te storten op KBC rekening BE73 7340 3806 7960 – voor mij de enige manier om mijn onderzoek te bekostigen vermits ik er van de overheid geen cent subsidies voor krijg. Na ontvangst van de storting (met als referentie je email adres) wordt de volledige tekst je toegestuurd. Blijkbaar wil de overheid dat je er zo weinig mogelijk over weet, alsof onwetendheid een middel zijn tegen angst. Want je kan er niet om heen: de niet-westerse vreemdelingen – zeker de moslims onder hen – zogen voor angst maar in hoeverre is die gewettigd: lees om meer te weten.

DIT IS HET VOORONTWERP VAN HET KAFT VAN MIJN ALLERLAATSTE BOEK

Posted on 2min read699 views

Het is van de hand van Jean Christophe Wallaert. Er moet duidelijk nog aan gesleuteld worden. Om het postmoderne hedonisme weer te geven heb je een vrouw nodig die op het strand naakt ligt te zonnebaden, desnoods met haar hand, waarin een trompetvormige joint, voor haar foef. Het blikje Coca Cola (Moderniteit) moet worden vervangen door een blikje Red Bull (Postmoderniteit). Op de tablet moeten een paar lijntjes coke liggen met een opgerold briefje van 5 euro om te snuiven (geen spuit, want dat is Moderniteit). 
Ik heb al drie van de tien hoofdstukken af en hoop er mee klaar te zijn tegen de lente van 2018.

Als het boek af is spring ik ’s nachts (als de dijk leeg is) uit het raam (negende verdieping) van mijn appartement in Oostende. Ik heb een heel bewogen en boeiend leven gehad waarvan ik nooit heb durven dromen. Ik heb mij laten rollen in het leven en heb daarbij alle levensenergie opgebruikt.

Uit het publieke leven heb ik mij al bijna 2 jaar teruggetrokken en ieder interview geweigerd. Omdat ik Otto Jan Ham een toffe pee vind met een schitterend gevoel voor humor (waarvoor Canvas te klein is) krijgt hij de (dubieuze) eer het laatste interview van mij af te nemen. Dat gebeurt op 9 maart a.s.

Ik ben het kotsbeu continu gekloot te worden door de gerechtelijke politie (ene Thierry Jacobs uit Asse die maandenlang mijn vuilbakken liep controleren, die twee oud-lieven van mij de duvel aandoet door bv. de auto van Nora zonder enige vorm van proces zomaar al een jaar in beslag te nemen als zou ik die voor haar met zwart geld hebben betaald) en door een stel rechters die aan acute vervolgingswaanzin gaan lijden van zodra ze de naam JPVR horen. Eén voorbeeld maar. Twee jaar geleden stond de auto van de partij (een stokoude Jaguar die we kochten tegen 1800 euro, en waarmee iedereen reed) ergens fout geparkeerd, met de achterste wielen op een zebrapad. Anderhalf jaar later kwam de wijkagent in Hoegaarden vragen wie er met de auto reed. Wist ik veel, ik in elk geval niet want ik zat in het buitenland. Om er snel van af te zijn stelde ik voor in het PV te zetten dat ikzelf de bestuurder was. Hij vond dat ik dat niet moest doen en noteerde naar waarheid dat ik het niet meer wist. En wat gebeurde er afgelopen vrijdag? Een politierechter gaf mij als partijleider 1200 euro boete omdat ik zogezegd geweigerd had het gerecht mee te delen wie de bestuurder was. En neen, ik ga niet in verzet tegen het vonnis. Dat ze hun vieze spelletjes voortaab alleen spelen.

OVER DE INHOUD VAN MIJN BOEK OVER POSTMODERNITEIT

Posted on 6min read838 views

(wie het wil lezen naarmate het vordert melde zich aan op politiek2@gmail.com en kan zo helpen mijn onderzoek te financieren)

De grondstelling die ik in dit boek, na deductieve analyse, zal verdedigen is tweeledig. (1) Hoe groter de graad van postmoderniteit in een land hoe meer de burger er te verliezen heeft en hoe groter de onzekerheid er zal zijn. (2) Hoe groter de graad van postmoderniteit in een land hoe groter de te maken kosten zullen zijn voor het in stand houden van de veiligheid.

Alvorens met de studie te beginnen moet er wel worden stilgestaan bij een artificiële vorm van onzekerheid die de overwegend Franse postmoderne filosofie verspreidde tussen 1970 en 1995 als zou het vergaren van cognitieve kennis onmogelijk zijn geworden. Hoofdstuk 1 behandelt dus de vraag hoe zeker wetenschap nog is en in hoeverre ze bewust wordt vervalst.

Een andere vorm van onzekerheid is de vraag over het bestaan van God. Hoe meer postmodern een land is hoe meer de burgers ervan overtuigd zijn dat er helemaal geen God bestaat. Hoe achterlijker een land inzake postmoderniteit is hoe meer de burgers ervan overtuigd zijn dat God wel bestaat (bijvoorbeeld in de islamitische landen) en hoe meer er van ongelovigen geëist wordt dat ze in de God van de islam gaan geloven (ook al is de God van de salafisten een andere God dan die van de sjiieten en vermoorden moslims elkaar onderling omdat ze in de verkeerde God geloven). Hoofdstuk 2 analyseert de verschillende godsargumenten en gaat na in hoeverre er nog een plaats is voor God binnen de wetenschap.

In Hoofdstuk 3 tot en met Hoofdstuk 6 worden de voornaamste bronnen van onzekerheid uitgespit aan de hand van de meest pertinente vragen die de postmoderne mens zich stelt. Die mens is bang voor de toenemende groep van allochtonen binnen de eigen gemeenschap, a fortiori voor die met een andere culturele en religieuze achtergrond dan die van de autochtone bevolking. Daarbij wint islamfobie het van multiculturele openheid. Met de vluchtelingencrisis uit Syrië en Irak nemen vragen toe als “Zullen die indringers wel met hun poten van mijn vrouw en mijn dochter af blijven?”, “Zullen die profiteurs straks mijn job niet afpakken?”, “Komen ze morgen niet mijn huis leegplunderen?” Dit wordt behandeld in Hoofdstuk 3.

Al even pertinent zijn de vragen rond economie en werkzekerheid. “Verlies ik morgen mijn job niet waardoor ik mijn hypotheeklening niet verder kan aflossen?” “Vind ik ooit nog wel een job nu ik al boven de veertig ben en net afgedankt?” “Krijgen wij jongeren straks nog wel een behoorlijke job (of zijn wij gedoemd tot een kutbaantje in het secundaire arbeidscircuit?” “Wat gebeurt er met mijn zuur verdiende spaarcentjes als morgen ook mijn bank failliet gaat?” “Zal de overheid straks mijn pensioen nog kunnen betalen?” “Wat gebeurt er morgen met mijn job als computergestuurde robotten mijn taak overnemen?” Al die vragen worden behandeld in Hoofdstuk 4.

Nog pertinenter zijn de vragen rond de stabiliteit van het gezinsleven. Nu huwelijken steeds minder lang stand houden, nu een begrip als huwelijkstrouw achterhaald klinkt, nu de seksuele normen steeds meer vervagen, nu bouwen onbetaalbaar is geworden voor éénoudergezinnen, nu het huwelijk ouderwets lijkt, nu steeds meer kinderen buiten het huwelijk worden geboren zijn veel gestelde vragen “Is mijn vrouw er morgen nog als ik thuiskom van mijn werk?” “Is mijn man achter mijn rug niet aan het flirten met één of andere lellebel op zijn werk?” “Wat moet er met de kinderen gebeuren als mijn partner mij in de steek laat?” “Hoe moet het nu met ons huis nu ik in mijn eentje de hypotheek onmogelijk nog verder kan aflossen?” Dit soort vragen komt aan bod in Hoofdstuk 5.

Op lange termijn rijzen er ook steeds meer vragen over de toekomst van onze planeet die we straks zullen doorgeven aan onze kinderen en onze kleinkinderen. “Hoe zit dat nu met die uitstoot van broeikasgassen?” “Wat komt er straks terecht van heel die klimaatconferentie in Parijs nu het Amerikaanse Opperste Gerechtshof de plannen van president Obama on hold heeft gezet?” “Waarom lopen steeds meer woningen onder water? Overkomt het straks ook mij?” “Is die opwarming van de aarde dan echt zo’n groot probleem als er wordt beweerd?” “Waarom werkt het ingevoerde systeem van ter beurze verhandelbare emissierechten van geen kanten?” “Waarom winnen we niet veel meer hernieuwbare energie uit de wisseling van de getijden?” “Kraakt mijn huis morgen langs alle kanten als er ook hier naar schaliegas wordt geboord, en wie vergoedt mij de opgelopen schade?” De onzekerheid rond de hedendaagse ecologische problemen in de postmoderne wereld zijn het voorwerp van Hoofdstuk 6.

Na de bespreking van de bronnen van onzekerheid behandelen de drie laatste hoofdstukken de bronnen van onveiligheid. 
In Hoofdstuk 7 wordt stilgestaan bij de mogelijkheid tot oorlogsbeheersing in een wereld waar de global leader – de Verenigde Staten, producent van twee derden van alle wapens in de wereld en met een wapenarsenaal dat groter is dan dat van alle overige landen – al sinds 1950 de meest belligerente natie is. Daarbij wordt stilgestaan bij de rol van het fameuze militair-industrieel complex dat de Amerikaanse power elite (termen van de socioloog Charles Wright Mills) en de vaak virtuele macht van de Amerikaanse president. Ook wordt de werking en de efficiëntie van de Verenigde Naties in vraag gesteld. Meer dan zeventig jaar na de Tweede Wereldoorlog zwaaien de vijf overwinnaars (Verenigde Staten, Rusland, Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en China) er de plak en kunnen ze blijven zwaaien met vetorechten. En wat blijft er nog over van het VN Handvest nadat een trio oorlogsmisdadigers – John W. Bush, Dick Cheney en Donald Rumsfeld – zonder het geringste VN mandaat de compleet overbodige Tweede Golfoorlog zijn begonnen? Dringt het wel goed door tot de postmoderne mens dat de nagelaten puinhopen in Irak de ideale voedingsbodem waren voor het absolute kwaad in de wereld dat ISIS werd?

Hoofdstuk 8 buigt zich over de erg complexe problemen van het terrorisme en over de zeer verschillende verschijningsvormen daarvan. Het toont de complete zinloosheid aan van de zogenaamde War on Terror. Er wordt gezocht naar meer efficiënte manieren om terrorisme beheersbaar te maken en hoe die in de postmoderne wereld kunnen worden geïmplementeerd. Het behandelt ook het probleem van het staatsterrorisme en van de over reaction bij de bestrijding van terrorisme.

In Hoofdstuk 9 wordt het fenomeen “criminaliteit” grondig geanalyseerd. Er wordt gezocht naar een universele verklaring van criminaliteit. Als verklarende factoren worden de dalende informele sociale controle, de stijgende deprivatisering, de strafkans, de pakkans, de falende socialisering en acculturatie van allochtonen, de gemiddelde strafduur, gestegen werkloosheid, enzovoort, opgevoerd. Het hoofdstuk bevat inderdaad een compleet criminometrisch model, uitgebreid tot een sociometrisch model, met een vijftigtal vergelijkingen – model dat ik in 2007 voor Nederland ontwierp, gebaseerd op statistisch materiaal sinds 1950, en dat ondertussen een updating kende. Van elk van de verklarende factoren werd de elasticiteit gekwantificeerd. Het model kan gebruikt worden om zonder verhoging van veiligheidskosten het keuzevraagstuk op te lossen welke veranderingen in de instrumentele variabelen nodig zijn om de criminaliteit te minimaliseren. Het geeft ook een verklaring waarom een stijging in de graad van postmoderniteit tot een veel forsere stijging van de kosten voor veiligheid moet leiden. Ook geeft het duidelijk aan waarom een meer repressieve aanpak niet leidt tot een daling van de criminaliteit, maar tot meer recidive.


Omdat postmoderniteit een onderdeel van de sociale dynamica is en omdat politieke beslissingen vrijwel geen invloed hebben op de erg complexe sociale dynamica, is een strijd tegen de postmoderniteit, zoals overwegend conservatieve politieke groeperingen die menen te kunnen voeren, verspilde energie. Het demografische luik van de postmoderniteit, (weergegeven door de dalende gemiddelde gezinsgrootte, het dalend aantal huwelijken, het stijgend aantal echtscheidingen, het stijgend aantal buitenechtelijke geboorten en het stijgend aantal allochtonen van de tweede en de derde generatie) ontsnapt aan politieke controle. Zo heeft het verbod op echtscheiding de opgang van de postmoderniteit niet kunnen afremmen, noch in Italië waar echtscheiding tot 1970 verboden was, noch in Portugal (1975), noch in Spanje (1981), noch in Ierland (1995), noch in Malta (2011). De Filippijnen zijn met Vaticaanstad het enige land waar echtscheiding nog steeds verboden is. Jammer genoeg is het beschikbaar statistisch materiaal te beperkt om voor dat land na te gaan welke invloed het had op de graad van postmoderniteit. Maar ook de strijd tegen het gebruik van roesmiddelen faalt binnen de genotmaatschappij. Het blijft er dweilen met de kraan open. Conservatieve politici dienen zich te realiseren dat een terugkeer naar de “propere samenleving” van vroeger weinig meer is dan een natte masturbatiedroom. Je kan net zo goed decreteren dat stenen voortaan naar omhoog moeten vallen. Het wordt tijd dat politici de postmoderniteit als een gegeven gaan aanvaarden in plaats van het met lapmiddelen te willen bestrijden.

WERELDGESCHIEDENIS ANDERS BEKEKEN

Posted on 7min read1067 views

(uit de inleiding van mijn nieuwste boek over Postmodernitneit; wie het wil lezen melde zich aan op politiek2@gmail.com en kan helpen mijn onderzoek te financieren)

2. Wereldgeschiedenis als een geschiedenis van de arbeidsverdeling
Zoals de hele geschiedenis is ook een onderdeel ervan – de historie van de dominerende samenlevingsvormen zoals ze bestudeerd worden door de sociale dynamica – geen chronologisch proces maar in werkelijkheid een diachronisch proces. Wie de geschiedenis bekijkt als een reeks kwalitatieve veranderingen in de arbeidsverdeling zal tot een zesvoudige indeling komen. De oudste arbeidsverdeling, die bijna een miljoen jaar is blijven bestaan, tot de ontdekking van het vuur, was de nomisch natuurlijke arbeidsverdeling. Met nomisch (een term uit de sociologie) wordt bedoeld een situatie waar de overgrote meerderheid van de mensen spontaan de heersende sociale en culturele normen als vanzelfsprekend aanvaardt. Het tegengestelde daarvan is anomisch, een situatie waar de meerderheid van de mensen de sociale en culturele normen niet langer als vanzelfsprekend aanvaardt, waar een bepaalde vorm van arbeidsverdeling afgedwongen wordt zodat er spanningen ontstaan en zodat er een gevoel van normloosheid heerst. Onder natuurlijke arbeidsverdeling wordt verstaan dat de arbeid er wordt verdeeld tussen beide geslachten, waarbij het product van de arbeid van de man – de buit bij de jacht – onzeker is en dat van de arbeid van de vrouw – het domesticeren van dieren en het waken over de voorraadschuren – zeker is. Die vorm van arbeidsverdeling, die soms oercommunisme wordt genoemd heeft bestaan van circa 1,8 miljoen jaar geleden tot 800.000 à 1 miljoen jaar geleden, en komt nergens ter wereld nog voor.


Met de ontdekking van het vuur wordt de natuurlijke arbeidsverdeling anomisch. Vuur zorgt niet enkel voor verwarming bij koud weer of voor verlichting in het donker maar kan ook gebruikt worden om metalen te smelten. Hierdoor wordt het product van de arbeid van de man plots niet langer onzeker en begint een periode waar matrilineaire familiestructuren worden vervangen door patrilineaire. De mens, die tot voorheen een kuddedier was geweest, ontdekt pas nu het woordje “ik”, al heeft hij zowat een miljoen jaar nodig gehad om tot die ontdekking te komen. Er ontstaat een nieuwe arbeidsverdeling waarbij de man misbruik maakt van zijn fysieke overwicht om de vrouw te domineren. De nieuwe arbeidsverdeling, een gevolg van de tegenstelling cru-cuit, is anomisch ten opzichte van de vrouw. Antropologen als Claude Lévi-Strauss, Margaret Mead en Bronislaw Malinowski ontdekten in de loop van de 20ste eeuw nog primitieve stammen die nog steeds leefden als de meerderheid van de mensen van 800.000 jaar geleden tot ongeveer 5.000 jaar geleden. Die nieuwe vorm van samenleving wordt soms het repressieve oercommunisme genoemd.


Al die tijd leefden mensen in kleine groepjes die het eigen grondgebied bewaakten. Botsen ze bij toeval op soortgenoten van andere stammen, dan werd daar weinig spel van gemaakt. De vreemdeling werd of verjaagd of doodgewoon de kop in geklopt en opgegeten (kannibalisme). Maar nu de mens steeds meer vertrouwd geraakte met het woordje “ik” bedachten de eerste stamhoofden een heel andere behandeling. In plaats van de vreemdeling op te eten zette men hem gevangen, werd hij eigendom van de stam en liet men hem taken uitvoeren. Hierdoor werd het plots lonend andere stammen op te zoeken en die te verslaan. De mens ontdekte iets geheel nieuw: oorlog. De nieuwe arbeidsverdeling was niet langer de natuurlijke, gesteund op het verschil tussen mannen en vrouwen, het werd een anomisch sociale arbeidsverdeling waarbij het collectieve bewustzijn – het belang van de groep, van de stam – ondergeschikt werd aan het individuele bewustzijn van het stamhoofd. Zo ontstond de slavenhoudersmaatschappij. Volgens de chronologische geschiedschrijving heeft die vorm van arbeidsverdeling bestaan van ca. 3.500 BC tot de Val van het West-Romeinse Rijk in 476. Maar wie met de structuralisten de geschiedschrijving diachronisch benadert zal vaststellen dat de slavernij veel langer is blijven bestaan. Tijdens de 17de eeuw, al vanaf 1637 (de Gouden Eeuw ten tijde van de Republiek) ontwikkelde zich een Trans-Atlantische driehoekshandel waarbij vooral specerijen in Afrika werden geruild voor negerslaven die dan in de Nieuwe Wereld tegen grof geld werden verkocht. Het heeft nog tot 1808 geduurd alvorens die lucratieve Nederlandse slavenhandel werd afgeschaft. In de Verenigde Staten werd de slavernij pas afgeschaft na de Amerikaanse burgeroorlog van 1861 tot 1865. Ook in Rusland bleef de slavernij bestaan tot in de 19de eeuw tot tsaar Alexander II ze in 1861 afschafte. De koloniale slavernij duurde zelfs voort tot het begin van de 20ste eeuw. En ondanks alle internationale verdragen bleef slavernij in bepaalde delen van de wereld tot op vandaag bestaan. Volgens de Walk Free Foundation die jaarlijks de Global Slavery Index publiceert leefden in 2015 nog 29,8 miljoen mensen in slavernij. In India gaat het om 13,9 miljoen mensen die meestal slachtoffer zijn van schuldslavernij. In Mauretanië leeft 4 procent van de bevolking tot vandaag in slavernij. De virtuele Islamitische Staat heeft ondanks alle voorschriften van de Koran de seksslavernij hoog op de agenda gezet, enzovoort.


In West-Europa ontstond tijdens de Middeleeuwen de nomisch sociale arbeidsverdeling waar horigen en laten corvee moesten doen binnen een feodale maatschappij die minstens stand heeft gehouden tot de eerste Industriële Omwenteling rond 1775. Brainwashing door de Kerk en landeigenaren zorgde ervoor dat de nieuwe arbeidsverdeling waarbij arbeid niet geldelijk werd vergoed, wel in natura, ook bij de verschillende gilden, min of meer als spontaan en natuurlijk werd aanvaard. Ook deze vorm van arbeidsverdeling is in sommige delen van de wereld tot op vandaag blijven bestaan.


Met de eerste Industriële Omwenteling ontstond de anomisch technische arbeidsverdeling waarbij arbeid wel geldelijk werd vergoed, zij het aanvankelijk tegen een hongerloon. Productieprocessen waren behoorlijk ingewikkeld geworden en vergden in toenemende mate technische specialisatie. Ondernemers die er, onder voorwaarden van volkomen concurrentie, in slaagden een zelfde hoeveelheid te produceren met een geringere inzet van menselijke energie dan hun concurrenten konden een meerwaarde realiseren die op de markt getransformeerd werd in winst die enkel de eigenaars van productiemiddelen – de kapitalisten dus – te beurt viel. De kapitalistische maatschappij verving de feodale. De volkomen concurrentie hield in de meest geïndustrialiseerde landen als dominerende marktvorm stand tot het einde van de 19de eeuw. Ze werd vervangen door een oligopolie- en monopoliekapitalisme waarbij ruilwaren konden worden verkocht boven hun ruilwaarde, zodat de meerwaardevorming er fors opliep. De kapitalistische arbeidsverdeling ging vaak gepaard met sociale conflicten en was een gedwongen arbeidsverdeling van de anomische soort. Onder de anomisch technische arbeidsverdeling ontstonden drie samenlevingsvormen. De eerste was de traditionele samenleving waar het huwelijk inderdaad nog de hoeksteen van de gezonde maatschappij was en duurde in Amerika van 1780 tot de Roaring Twenties. In Europa begint de Moderniteit pas dertig jaar later, rond 1950. Ze houdt er stand tot ongeveer 1980 als de Postmoderniteit begint door te breken. Die verspreidt zich daarna ongelijk in de westerse wereld. De graad van postmoderniteit laat zich meten aan de hand van minstens acht verklarende factoren, zoals blijkt uit Tabel 1 en Tabel 2.
 

De verschillen tussen de bestudeerde landen zijn groot. In vijf landen ligt de graad van postmoderniteit boven de 80 procent, in de vier Scandinavische landen plus Nederland. In zes andere landen ligt die graad van postmoderniteit boven de 70 procent: in Luxemburg, Frankrijk, België,IJsland, het Verenigd Koninkrijk en België. In vier bestudeerde Europese landen ligt de graad van postmoderniteit onder de 20 procent. In Griekenland, Kroatië, Roemenië en Turkije. Daar is de postmoderniteit nog niet doorgebroken. Het meest achtergebleven land is ongetwijfeld Turkije (waar zelfs de moderniteit nog niet ten volle is doorgebroken). De aanzienlijke verschillen tussen de verschillende Europese landen zijn een duidelijke aanwijzing dat de sociale processen, als bestudeerd door de sociale dynamica, diachronische processen zijn. Analoge berekeningen werden doorgevoerd voor de Verenigde Staten, Canada, Mexico, Cuba, Rusland, China, Zuid-Korea, Japan en Australië. Daar werd volgende graad van postmoderniteit gevonden:
● Canada 76,1 procent ● Zuid-Korea 61,3 procent ● China 28,7 procent
● Verenigde Staten 72,9 procent ● Australië 57,6 procent ● Mexico 11,1 procent
● Japan 67,5 procent ● Rusland 38,5 procent ● Cuba 9,8 procent

Postmoderniteit is voorlopig de meest recente samenlevingsvorm die zich ten tijde van de anomische technische arbeidsverdeling heeft gemanifesteerd. Ze is de opvolger van de moderniteit die zelf de opvolger van de traditionele samenleving was. Postmoderniteit mag niet worden verward met postmodernisme dat een periodecode in de kunst was, ook een (trieste) manier van filosofisch denken dat zich vooral heeft verspreid tussen 1970 en 1995 in Frankrijk – een idiote manier van denken die voorhield dat in de wetenschap algemene theorieën niet langer mogelijk zijn en dat er in een gedicht meer cognitieve waarheid verscholen zit dan in het complete Standard Model van de Fysica. De postmoderne filosofie is, met enige recul bekeken, een staaltje van hoogdravende nonsens geweest, ware het alleen nog maar omdat ze ontkende dat in de menswetenschap algemene theorieën onmogelijk zijn, als had het baanbrekend werk van Jürgen Habermas en Niklas Luhmann geen cognitieve betekenis.

Onder invloed van het marxisme ontstond in de wereldgeschiedenis ook nog een zesde vorm van arbeidsdeling, de nomisch technische arbeidsverdeling. Die werd voor het eerst in de Sovjet-Unie ingevoerd in 1917 en verdween er met de Val van de Muur in 1989. De werkende bevolking werd er wijsgemaakt dat het een vorm van nomische arbeidsverdeling was die spontaan was ontstaan en niet door de overheid werd afgedwongen. Maar in werkelijkheid ging het niet om communisme, wel integendeel om staatskapitalisme. Op papier heerst er nog steeds communisme in de Volksrepubliek China, maar dat komt dan enkel maar omdat papier er zeer gewillig is (geen wonder, want het papier werd juist in China uitgevonden). Harde vormen van communisme zijn na de Val van de Muur nog een korte tijd blijven voortbestaan in Cuba en in Albanië, maar zijn ondertussen ook daar verdwenen. Enkel in het totaal geïsoleerde Noord-Korea is de nomisch technische arbeidsverdeling tot op vandaag blijven voortbestaan. Tot een afsterven van de staat, zoals Marx voorspelde, heeft het zeker niet geleid, wel tot een verpletterend staatsapparaat gecontroleerd door de gewetenloze machtsclique rond de vereerde Leider.