Economie

LEIDT DE HUIDIGE CHINESE BEURSCRISIS MORGEN TOT DE INEENSTORTING VAN DE WERELDECONOMIE?

Posted on 4min read709 views

Een groot gevaar voor de wereldeconomie als geheel ontstaat als de Chinese overheid er niet in slaagt de in juli 2015 duidelijk geworden beurs- en bankencrisis onder controle te houden. En er zijn voldoende redenen om te stellen dat de Chinese overheid daarin niet zal slagen. In China ontwikkelde zich immers een ander soort casinokapitalisme dan in het Westen. Daar zijn de gokkers niet de door greed verteerde bankiers die met andermans geld gokken op allerlei soorten bankderivaten, wel de gokverslaafde begoede jongeren van beneden de 35 uit de steden die met eigen geld – vaak geleend geld – gokken op allerlei binnenlandse aandelen. Dit heeft geleid tot een onverantwoorde inflatie ter beurze. Met de verlaagde risico-aversie van de westerse bankiers, correspondeert in China een quasi risico-aversieloze economie waar de Rede en de goede huisvader ver te zoeken zijn. VRT journalist Stefaan Blommaert schrijft hierover:

“Het zijn vooral kapitaalkrachtige jongeren die zich op de aandelenmarkt hebben gestort. In het eerste kwartaal van dit jaar werden ruim 60% van de nieuwe aandelenrekeningen in China geopend door mensen van onder de 35. In tegenstelling tot de Chinese ouderen – die zich traditioneel met sparen en investeren bezighouden – hebben ze weinig ervaring, en beschouwen ze beleggen op de beurs vaak letterlijk als een spel. Een spel waar behoorlijk veel mee te verdienen valt. De Chinese regering heeft de publieke belangstelling voor de aandelenmarkt de voorbije jaren enthousiast gestimuleerd. In door de overheid gecontroleerde kranten verschenen met de regelmaat van de klok artikels en commentaren over de opportuniteiten op de beurs. Er werden fondsen ter beschikking gesteld waaruit geld kon worden geleend om er vervolgens aandelen mee te kopen. Individuele investeerders die niet in aanmerking kwamen voor dergelijke leningen vonden wel schaduwbedrijfjes die geld aanboden, tegen een torenhoge interest wel te verstaan. En natuurlijk waren er ook de grote beleggers, privébedrijven en banken maar vooral overheidsagentschappen die massaal inzetten op de beurs.”

Dat dit een reuzengroot probleem wordt voor de wereldeconomie valt gemakkelijk in te zien. De Verenigde Staten zijn wegens hun chronisch tekort op de lopende rekeningen voor hun investeringen deels aangewezen op de chronisch gewaande overschotten op de lopende rekeningen van China. Als het tot een ineenstorting van de beurzen van Shangai en Shenzen komt – die zich tot elkaar verhouden als de S&P500 en de Nasdaq100 – gevolgd door een onvermijdelijke Chinese bankencrisis, zal dit de pril herlevende Amerikaanse economie in zijn val meesleuren. De vraag is niet zozeer of dit al dan niet zal gebeuren, dan wanneer het zal gebeuren. En als het gebeurt zal het vertrouwen in de Amerikaanse dollar, de eerste reservemunt in de wereld, een enorme deuk krijgen op het eigenste ogenblik dat in het no system van het internationaal muntverkeer geen enkele andere valuta klaar staat om de rol van de dollar over te nemen: niet de euro van het (twist)zieke door Duitstand geleide Europa, niet de yen van de door schulden verteerde Japanse economie, niet het pond sterling van een Britse economie die denkt eeuwig te kunnen blijven verder werken met een geldmultiplicator van rond de 20.

De groeivoeten van 10 tot 12 procent van de Chinese economie die tussen 1992 en het begin van de Grote Recessie in 2008 nog schering en inslag waren, behoren definitief tot het verleden. Het IMF voorziet het deze keer wel correct als het stelt dat een groeivoet van 5 tot 6 procent van de Chinese economie tegen 2020 meer dan waarschijnlijk is. Tussen 2013 en medio 2015 was die groeivoet al gedaald tot een gemiddelde van 7,2 procent (6,9 procent in juli 2015). De SCI (Shanghai Composite Index) steeg over dezelfde periode van 2½ jaar wel met 250 procent, dat is tegen een jaargemiddelde dat meer dan tien keer hoger ligt dan dit van de economische groei. Binnenlandse aandelen zijn daardoor grenzeloos overgewaardeerd. Heel anders verging het de Chinese beurzen tussen 1994 en 2013: toen steeg de SCI met amper 24 procent in 20 jaar tijd, veel trager dus dan de economische groei.

In de week van 2 tot 8 juli 2015 ging er volgens Patrick Chovanec (zie hoofdstuk 5 van deel I) al 3.900 miljard yuan van de 43.000 miljard yuan Chinees spaargeld (als berekend door de Chinese econoom Wu Jinglian) verloren. Op maandag 27 juli ging er op Shanghai nog eens in één dag tijd, bij een daling van de SCI met 8,5 procent, nog eens 1.040 miljard yuan verloren, dat is drie keer zoveel als de complete Griekse staatsschuld waarmee het zieke Europa hopeloos worstelt (zie Appendix II). De Chinese overheid koestert de illusie dat door haar kapitaalcontrole de binnenlandse beurshandel nog steeds controleerbaar is als had ze nooit de verhelderende analyse van de marxistische economen Kōzō Uno en Thomas T. Sekine (zie hoofdstuk 4 van deel I) gelezen. Het is niet omdat men bij een verlies van meer dan 10 procent de beurshandel kan stilleggen en institutionele beleggers kan verplichten in prijs gezakte aandelen op te kopen dat men in China door overheidsingrijpen een aan de gang zijnde beurskrach kan blijven controleren. Stefan Blommaert schrijft: “Alles is controleerbaar in een communistische biotoop, dus ook de hoogmis van het kapitalisme, de aandelenmarkt.” Ik laat hem graag die illusie, maar mijn algemene theorie van de langdurige economische crises bewijst dat ook in een communistische biotoop, die verworden is tot casinokapitalisme, de crisis onbeheersbaar is geworden.

De volgende stap is trouwens even voorspelbaar. Chinese banken zullen zich straks willen indekken tegen te verwachten beursdalingen door een beroep te doen op de bankderivaten die de westerse economie deden ontaarden in casinokapitalisme. Tot nog toe waren de 710.000 miljard dollar bankderivaten hoofdzakelijk het speeltje van Europese en Amerikaanse bankiers. Als Chinese banken straks hetzelfde perverse spel meespelen, en zich bijvoorbeeld gaan storten op credit default swaps wordt de Chinese economie een tweevoudig casinokapitalisme: een eerste keer door de gokkende beleggers, een tweede keer door de gokkende banken. En dan zou ik niet mogen zeggen dat ik wel de kop van deze crisis zie, maar nergens de staart. Ik vrees dus dat het ergste nog moet komen.

ARME DUTSEN VAN HET PATRONAAT KRIJGEN NOG EXTRA STEUNTJE

Posted on 3min read748 views

Het stond dan wel in het regeerakkoord maar een tweede maand gewaarborgd loon bij ziekte ten laste van de werkgever komt er dus lekker niet. UNIZO greep immers grotendeels naast de prijzen bij de taxshift, omdat die maar geldt voor bruto lonen van boven de 2200 euro/maand. Dus waren Karel van Eetvelt en de zijnen zowaar aan de bedelstaf toe als de regering voet bij stuk had gehouden. Indien UNIZO een tweede maand gewaarborgd inkomen bij ziekte had moeten slikken, zo stelde die arme drommel, had het de KMO's minstens 1 miljard euro gekost. Dat bedrag moet dus maar beter worden gehaald bij de gewone belastingbetaler.

En ja, er moet ook medelijden worden betoond voor al die arme sloebers met zwart geld in het buitenland. Dat vond de Al Bundy van de regering, oud-schoenverkoper Johan van Overtveldt. Dus komt er een nieuwe regularisatieronde waarbij het zwart geld tegen betaling weer wit kan worden gewassen.

Het is ontroerend hoezeer deze regering van vazallen van VBO, VOKA en UNIZO klaar staat om de arme dutsen van het grootkapitaal pakken geld door te schuiven (nu al 8 miljard euro) om hen toch maar te beschermen tegen de nakende hongerdood. En de gewone burger, toch logisch dat hij er de lasten van moet dragen, kreeg die al niet genoeg? Straks, als alles meezit, 5,55 euro per maand (want dat van die 100 euro, dat was een fantasietje om best wil).

WAAROM DE COMBINATIE VAN TAXSHIFT PLUS INDEXSPRONG GEEN ZODEN AAN DE DIJK BRENGT

Gesteund op de nationale boekhouding van 2013 (de laatste officiële die werd gepubliceerd) kan iedereen objectief berekenen hoeveel de loonkost te hoog is om weer competitief te zijn. Beide maatregelen samen zorgen voor een daling van de loonkost met 4 procent. Dat is dus veel te weinig om opnieuw competitief te zijn. Zie bijgaande tabel. We kunnen na de dubbele maatregel nog steeds niet concurreren met onze buurlanden.

Het is een gore leugen dat de concurrentiekracht van onze economie nu is hersteld. Men pakt het probleem doodgewoon verkeerd aan. We vragen nu offers van de burgers die nergens toe leiden. Als ik Wouter Beke hoor vertellen dat de taxshift goed is voor 200.000 jobs, en Johan van Overtveldt destijds hoorde zeggen dat de indexsprong goed is voor 85.000 nieuwe jobs, dan kan ik als macro-econoom en econometrist niet anders dan besluiten dat die mensen spreken over wat hoegenaamd niet klopt. De indexsprong is goed voor 7448 nieuwe jobs, de taxshift voor 7202 nieuwe jobs. Is 14.650 in het totaal, niet de 285.000 die ze ons wijsmaken. En pas op, omdat onze arbeidsproductiviteit nog steeds veel te laag is gaan er in drie jaar tijd 16.000 jobs verloren. Netto effect = NEGATIEF.

En daarvoor moet de burger straks zijn elektriciteit een kwart duurder betalen, moet hij een suikertaks op frisdranken betalen, moet hij zijn diesel duurder aan de pomp betalen. En dat we met zijn allen 100 euro per maand meer zullen verdienen is alweer een leugen. Deze regering van vazallen van het patronaat rekent erop dat de taxshift 1,7 miljard meer zal opbrengen wegens gestegen werkgelegenheid. Wat een misrekening. Het zal nog geen 300 miljoen zijn voor 4.500.000 tewerkgestelden, dat is 5,55 euro per maand per tewerkgestelde. Dat krijg je dus als je het patronaat wetten laat schrijven ipv ervaren economen.

JOBS, JOBS, JOBS: WIE HOUDEN ZE MET HUN TAX SHIFT VOOR DE GEK?

Posted on 6min read753 views

Ze kunnen zelfs bij benadering niet zeggen hoeveel jobs er zullen worden gecreëerd. Wat een bende hopeloze prutsers. Het enige wat ze goed kunnen is in de zakken zitten van de doodgewone man en het grootkapitaal buiten schot te houden. Heel hun trammelant zal nauwelijks jobs creëren, wel meer fiscale lasten. Herlees hfst 1 van mijn crisisboek en je beseft meteen dat het niets uithaalt. En zeggen dat ik in hoofdstuk 7 van deel II van mijn nieuw boek haarfijn uitleg hoe er onmiddellijk 215.000 jobs kunnen worden gecreëerd waaraan de overheid 16 miljard verdient zonder al die onnozelheden die ze nu weer doorvoeren en die niet één job zullen creëren, terwijl ik exact kan zeggen, provincie per provincie, hoeveel jobs er CONCREET kunnen worden gecreëerd. Maar ja, ik ben slechts een macro-econoom en econometrist, geen politicus die het altijd beter denkt te weten.

Wat Michel & Co aan het parlement hebben voorgelegd is onvoorstelbaar vaag, zo vaag dat het onmogelijk is dat ze het Planbureau gevraagd hebben na te gaan wat de concrete gevolgen zijn van hun zgn. tex shift. Of nog: het kransje welbespraakte prutsers heeft er weer eens naar geklopt als een blinde naar een ei. Bijvoegseleconoom Johan van Overtveldt – de Al Bundy van de regering – kon in het 1h journaal in de verste verte niet zeggen hoeveel jobs er zouden worden gecreëerd. Maar ze vonden het wel een schitterend plan van historisch formaat. En dan die belofte dat iedereen 100 euro per maand zou bijverdienen. Waarvan zouden ze dat betalen??? Het enige wat ze kunnen is gouden bergen beloven. Ziek word ik als ik het juristje Patrick De Wael over economie hoor lullen. Wat weet zo'n vent nu in vredesnaam over economie. En de laffe Belg, hij slikt het allemaal. Komen wij dan echt nooit in opstand tegen die bende volksverlakkers?

WAAROM DE TAXSHIFT ONVOLDOENDE IS OM DE CONCURRENTIEKRACHT VAN DE ECONOMIE TE HERSTELLEN

Op Kanaal Z had de verslaggeefster het over het patronaat dat zowaar lyrisch is over de taxshift als had datzelfde patronaat de pen vastgehouden waarmee politici de tekst voor de taxshift schreven. Dat de loonkost moet dalen om weer concurrentieel te worden is heel zeker juist. Alleen moet de loonkost (203 miljard per jaar) met veel meer dan 2 miljard dalen om de Belgische economie weer concurrentieel te maken. Men vergeet daarbij steeds opnieuw dat het concurrentievermogen van een economie twee facetten heeft: én de loonkost per uur én de arbeidsproductiviteit per uur. En dit laatste is na de Petroleumcrisis (1973-1988) na een onvoorstelbaar aantal misinvesteringen volkomen verkeerd gelopen. Van 1996 tot 2014 is de arbeidsproductiviteit in België slechts met gemiddeld 0,84 procent gestegen (tegen 1,23 procent in Nederland, 1,32 procent in Frankrijk, 1,39 procent in Duitsland, 1,65 procent in het UK en 1,47 procent in Europa). Hierdoor heeft België in twee decennia tijd zijn concurrentiekracht volledig zien teniet gaan.

Wil men de concurrentiegraad herstellen dan is er veel meer nodig dan de loonkost fors te laten dalen, dan moet de arbeidsproductiviteit fors worden opgetrokken. En daaraan doen het patronaat en zijn loopjongens binnen de regering doodgewoon niets. Trouwens is de taxshift enkel bedoeld voor de grootste bedrijven, niet voor de KMO's. Kleine bedrijven genieten door allerlei wetten en wetjes van een werkgeversbijdrage die lang geen 33 procent bedraagt, maar rond de 27 procent schommelt. KMO's (die nog steeds het grootste percentage van de bevolking tewerkstelt) halen dus nauwelijks voordeel uit de taxshift. Wilt men een bewijs daarvoor, bekijk dan de nationale rekeningen als gepubliceerd door de NBB. Dan vindt men dat de totale werkgeversbijdrage van het patronaat 28.235,6 miljard is. Zou men die effectief met 8 procent op 33 laten dalen, dan zou het over 8/33sten x 28.235,6 miljard gaan = 6,845 miljard moeten gaan en niet om de 2 miljard waarover de regering spreekt.
Dat de concurrentiekracht NIET wordt hersteld kan duidelijk worden aangetoond. Volg even mee. .Zowel in Nederland als in België wordt de burger er vrijwel dagelijks mee om de oren geslagen dat de hoge loonkost de concurrentiepositie van hun economie aantast. Daarbij schuwt men geen overdrijvingen of gebruikt men onjuiste cijfers. Maar wat bedoelen politici of patronaat wanneer ze het hebben over de concurrentiepositie van onze economie? Ze volgen dan een simpele en op het eerste gezicht correcte redenering, namelijk dat als in land A er per uur 200 stuks worden geproduceerd, tegen 100 stuks in land B, dat dan de loonkost in land A niet meer dan het dubbele mag bedragen van die van land B. Abstractie makend van kosten voor verpakking, vervoerkosten, transportverzekeringen, etc., kunnen we de concurrentiepositie van een land (symbool CP) volgens die economisch simplistische visie van patronaat en overheid dus uitdrukken in een simpele formule. Gebruiken we voor de productiviteit van land A het symbool PR(A), voor de productiviteit van land B het symbool PR(B), voor de loonkost in land A het symbool w(A) en voor de loonkost in land B het symbool w(B) dan is de concurrentiepositie van land A ten opzichte van land B volgens die visie dus gelijk aan:

CP(A/B) =100 (PR(A)*w(B))/(PR(B)*w(A)) [1]

Dat cijfer 100 gebruiken we dan om de concurrentiepositie uit te drukken als een percentage. Zolang we voor CP(A/B) een cijfer bekomen dat groter is dan 100 heeft land A volgens die visie een gunstige concurrentiepositie ten opzichte van land B, is het kleiner dan 100 dan bekomen we een ongunstige concurrentiepositie. Het bekomen cijfer leert dan meteen met hoeveel procent de loonkost in land A nog mag stijgen om concurrentieel te blijven, of hoeveel de loonkost in land A moet dalen om weer concurrentieel te worden. Stel dat we een CP(A/B) = 110 % vinden, dan mag de loonkost nog met 10 % stijgen zonder de concurrentiepositie van land A in gevaar te brengen. Stel echter dat we een CP(A/B) = 85 % vinden, dan moet de loonkost in land A met 15 % zakken om nog te kunnen concurreren tegen land B.

Werken we over meerdere jaren dan moeten we wel werken met de reële loonkost (uitgedrukt in munteenheden van een gekozen basisjaar), niet met de nominale loonkost. Dat basisjaar moet dan ook hetzelfde zijn als dat wat we gebruikten om de productiviteit per uur uit te drukken, bijvoorbeeld loonkost en productiviteit uitgedrukt in munteenheden van 2013. Hebben land A en land B een verschillende munt dan moet de loonkost in land B wel worden omgezet in die van land A door rekening te houden met de wisselkoers van de verschillende munteenheden. Laten we bij wijze van oefening dan even berekenen hoe sterk of hoe zwak de concurrentie¬positie van de Belgische economie in 2013 was t.o.v. de Nederlandse. Dan vinden we volgende cijfers:

PR(B) = 45,9 €/uur (zie Tabel 4)
PR(NL) = 45,8 €/uur (zie Tabel 4)
w(B) = 38,02 €/uur (zie Tabel 3-1, kolom 1)
w(NL) = 32,82 €/uur (zie Tabel 3-1, kolom 1)
Voeren we die cijfers in, in formule [1] dan vinden we:
CP(B/NL) =100 (45,9 *32,82)/(45,8 *38,02) = 86,51
of nog dat de loonkost in België 13,49 % te hoog is om met Nederland op basis van lonen te kunnen concurreren.

Laten we nu even een denkoefening maken. Onderstel dat we in 1996 reeds zouden hebben beslist tot een indexsprong en dat we dan al hadden beslist tot een taxshift die twee keer zo hoog was. Zouden we dan de concurrentiekracht van onze economie hebben hersteld? Bekijken we daartoe de bovenste grafiek (waarbij we noch een indexsprong, noch een taxshift hadden ingevoerd in 1996), en vergelijken we die met de onderste grafiek waarbij we in 1996 al hadden beslist tot een loonstop én een taxshift). In 1996 waren we nog concurrentieel met Duitsland, Finland, Zweden en Frankrijk (bekijk de rechste grafiek). Onderstel nu dat we al in 1996 hadden ingegrepen met én een indexsprong én een taxshift die twee keer zo hoog is). Dan zien we op de onderste grafiek dat de verzwakte concurrentiekracht nog steeds niet zou zijn hersteld geworden in 2013. We zouden enkel nog hebben concurreren met de Zweedse economie. Conclusio patet: we hebben onze gunstige concurrentiekracht minder verloren door een te hoge loonkost dan wel door een veel te traag gestegen productiviteit: de laagste in de EU28!

AAEAAQAAAAAAAAIIAAAAJGZhZGE0YjE0LTNkZDEtNDg4Ny05MzVmLTEyMTVhN2UzYzZmYw

AAEAAQAAAAAAAAJ8AAAAJGUzZmRmNTNmLTliOTQtNGIxYy1hMTljLWNjYTdkMDQ4NmNiOQ

OVER HET BASISINKOMEN: UBI NEEN, NIT JA

Posted on 14min read914 views

3. Vraag #2: Zal de hoge werkloosheid dwingen tot invoering van UBI? 
UBI staat voor unconditional basic income, afgeleid van een idee dat op het einde de jaren 1840 ontstond binnen de communes die na de dood van de Franse utopische socialist Charles Fourier (1772-1837) werden opgericht. De grote verdediger van een basisinkomen voor iedereen was de Belgische zelfbenoemde jurist en zakenman Joseph Charlier (1816-1896). Hij vond dat mensen die werkloos waren recht hadden op veel meer dan liefdadigheid. Zo vond hij het de taak van de overheid om de armoede te bestrijden door iedere burger het recht te geven op een minimaal basisinkomen. Zonder de Schotse econoom John Stuart Mill (1806-1873) die sympathie voelde voor het fourierisme ware het werk allicht vergeten geworden binnen de economische wetenschap, ware het niet dat Mill een jaar later aandacht besteedde aan het voorstel in zijn Principles of Political Economy (1849). De idee waaide over naar Amerika waar de conjunctuureconoom Henry George (1839-1897) in zijn bestseller Progress and Poverty (1879) voorstelde om een land value tax in te voeren om met dat overheidsinkomen de armoede te bestrijden. Hierbij dacht hij hoofdzakelijk aan de groep werklozen die bij economische crises telkens sterk toenam en geen middelen had om in het levensonderhoud te voorzien. Hieruit ontstond een beweging die men het Georgisme noemt. Het zal nog duren tot midden de Grote Depressie – die gepaard ging met nooit eerder geziene werkloosheid – alvorens de gedachte aan een basisinkomen wind in de zeilen krijgt. De Amerikaanse Democraat Huey P. Long (1893-1935) die van 1928 tot 1932 gouverneur van Louisiana was, daarna senator, startte in 1934 de beweging Share Your Wealth met de bedoeling de armoede de wereld uit te bannen. Als onverbeterlijke populist deed hij een waslijst van voorstellen, de ene nog utopischer dan de andere, om de strijd tegen de armoede te financieren, bijvoorbeeld dat al wie meer dan 5 miljoen dollar erfde het overschot aan de staat moest afstaan en een progressieve rijkentaks die opliep tot 100 procent voor inkomens van meer dan 100 miljoen dollar, later herzien tot 50 miljoen dollar. In 1935 kondigde hij zijn kandidatuur voor de presidentsverkiezingen voor de presidentsverkiezingen aan om een maand later te worden neergeschoten door de schoonzoon van een tegenkandidaat. Hij stierf twee dagen later. Zijn weduwe zette de beweging Share Your Wealth nog jaren verder.


Friedrich A. Hayek (1899-1992) is de eerste van 7 Nobelprijswinnaars Economie die in 1945 in zijn Road to Serfdom de gedachte aan een basisinkomen als onderdeel van de theoretische economie zal verdedigen. Hij schrijft: “There can be no doubt that some minimum of food, shelter, and clothing, sufficient to preserve health and the capacity to work, can be assured to everybody.

[This is] no privilege but a legitimate object of desire … [that] can be provided for all outside of and supplementary to the market system.” Over hoe dit gefinancierd moet worden blijft hij extreme vaag. James E. Meade (1907-1995) is de tweede Nobelprijswinnaar die al in 1955 alludeert op de noodzaak van een minimum inkomen om economische onzekerheid te vermijden. Het zal nog tot 1989 duren alvorens hij een model van volledige werkgelegenheid uitwerkt, gesteund op aanvullingen van de laagste lonen door taxatie. Het model zal later worden toegepast in Brazilië. Het zal allicht verrassen dat de anders zo conservatieve Milton Friedman (1915-2006) de derde Nobelprijswinnaar is die een sociaal programma voorstelt dat iedereen een minimum inkomen garandeert. Daarbij gaat hij niet zo ver een UBI voor iedereen te bepleiten, maar verdedigt hij een NIT (negative income tax): als iemands inkomen te laag is moeten er geen belastingen worden betaald maar vult de overheid het inkomen aan. In 1980 schrijven hij en zijn vrouw hierover: “We should replace the ragbag of specific welfare programs with a single comprehensive program of income supplements in cash — a negative income tax. It would provide an assured minimum to all persons in need, regardless of the reasons for their need, while doing as little harm as possible to their character, their independence, or their incentives to better their own conditions. A negative income tax provides comprehensive reform which would do more efficiently and humanely what our present welfare system does so inefficiently and inhumanely.” De term NIT is afkomstig van de sociaal bewogen Britse schrijfster Juliet E. Lady Rhys-Williams (1898-1964). Een vierde gelauwerde econoom, James Tobin (1918-2002), onderzocht in 1967 of een NIT in de Verenigde Staten uitvoerbaar was, vond dat het kon, en kaartte de idee vijf jaar later, onder meer samen met Paul A. Samuelson, aan het Congres aan. Twee andere keynesianen, John Kenneth Galbraith (1908-2006) in de tweede editie van zijn Affluent Society van 1966 en (een vijfde Nobelprijswinnaar), Robert M. Solow (°1923) in An Economist’s View of the Income Maintenance Experiments van 1986 verdedigen, zij aan zij met én de Oostenrijkers én de monetaristen – die anders het zonlicht in de ogen van de andere niet kunnen verdragen – de NIT. 


Galbraith schrijft: “We need to consider the one prompt and effective solution for poverty, which is to provide everyone with a minimum income. The arguments against this proposal are numerous, but most of them are excuses for not thinking about a solution, even one that is so exceedingly plausible. Idleness, we agree, is demoralizing. But even here there is a question: Why is leisure so uniformly bad for the poor and so uniformly good for the exceptionally well-to-do? We can easily afford an income floor. … And there is no antidote for poverty that is quite so certain in its effects as the provision of income.” Solow schrijft: “I should add that experiments have the added advantage of providing some information about the system’s capacity to administer and operate a new policy mechanism. This is important; it is something that the Manpower Demonstration Research Corporation has always paid a lot of attention to in its experiments and demonstrations. The main disadvantage of the social experiment as a policy tool is that it may often leave us having to explain to ourselves why we do not do the right thing, when it is costly but not terribly costly. But that is not a serious problem either. One of the things Americans are best at is kidding themselves along.” 


De gedachte dat armoede tegen een relatief lage kost kan worden bestreden door een NIT, heeft in de Jaren 1960 tot het einde van de Petroleum crisis een waslijst aan verdedigers gekregen. In dat opzicht kunnen de socio-econoom Robert Theobald, de 1964 Nobelprijswinnaar voor de Vrede Martin Luther King, de sociaal psycholoog Erich Fromm van de Frankfurter Schule, de sociaal antropologe Margret Mead, de futuristische architect Buckminster Fuller, de Amerikaanse senator George McGovern, en tal van anderen worden vermeld. De vraag waarom armoede dan blijft bestaan werd keurig beantwoord door de Duits-Amerikaanse sociologische functionalist Herbert Gans (°1927) in zijn The Positive Functions of Poverty. Daarin legt hij, helemaal in de geest van Robert K. Merton (de grondlegger van het functionalisme), uit dat armoede een sociaal verschijnsel is, en dat het als alle sociaal verschijnselen blijft voortbestaan zolang het een positieve balans van eufunctionele gevolgen heeft. Armoede kan niet worden afgeschaft zolang er een groep mensen, die het binnen de samenleving voor het zeggen heeft, er profijt uit haalt. Dat zijn niet zelden groeperingen van ondernemers en hun politieke waterdragers.


Tegen 1986 zijn economen, sociologen, psychologen en antropologen – zowel conservatieven als progressieven – het erover eens dat een gewaarborgd inkomen betaalbaar is via het systeem van negative income tax. Voor de Belgische marxistische socioloog Philippe van Parijs (°1951) en de Britse econoom Guy Standing (°1948) is dit aanleiding om vanaf nu te ijveren voor een onvoorwaardelijk basisinkomen (UBI) voor iedereen, wat een hele stap verder gaat. Van Parijs omschrijft UBI als volgt: “By universal basic income I mean an income paid by a government, at a uniform level and at regular intervals, to each adult member of society. The grant is paid, and its level is fixed, irrespective of whether the person is rich or poor, lives alone or with others, is willing to work or not. In most versions–certainly in mine–it is granted not only to citizens, but to all permanent residents. The UBI is called "basic" because it is something on which a person can safely count, a material foundation on which a life can firmly rest. Any other income–whether in cash or in kind, from work or savings, from the market or the state–can lawfully be added to it. On the other hand, nothing in the definition of UBI, as it is here understood, connects it to some notion of ‘basic needs.’ A UBI, as defined, can fall short of or exceed what is regarded as necessary to a decent existence. I favor the highest sustainable such income, and believe that all the richer countries can now afford to pay a basic income above subsistence. But advocates of a UBI do not need to press for a basic income at this level right away. In fact, the easiest and safest way forward, though details may differ considerably from one country to another, is likely to consist of enacting a UBI first at a level below subsistence, and then increasing it over time.”


Van Parijs en Standing hebben in 1986 BIEN (Basic Income European Network) gesticht en zijn sindsdien de locomotieven van het basisinkomen voor iedereen. In 2002 heeft Standing in Genève het eerste BIEN Congres georganiseerd. Onder de andere fervente verdedigers van UBI kunnen de Oostenrijkse filosoof André Gortz (1923-2007) (medeoprichter van Le Nouvel Observateur), de Canadees-Amerikaanse filosoof Peter Vallentyne (°1953), de links-libertaire Canadees Hillel Steiner (°?) en de Schotse economiste Alisa McKay (1963-2014) worden vernoemd. Samen met Van Parijs en Standing hebben ze wereldwijd politieke invloed uitgeoefend op politieke partijen die het basisinkomen in hun programma hebben opgenomen. In de Verenigde Staten en Japan zijn dat de Greens; in heel Europa – inclusief Turkije – de Piratenpartij; daarnaast: in Duitsland Die Linke; in het Verenigd Koninkrijk Green Party of England and Wales, de Scottish Green Party, en de Scottish Socialist Party; in Nederland Groen-Links, enzovoort. In België hebben de ecologisten het basisinkomen een tijd lang verdedigd maar daarna niet meer. Dat het overal marginale politieke partijtjes zijn gebleven houdt ongetwijfeld verband met het feit dat de grootste verdedigers veel te weinig macro-econoom of econometrist zijn om netjes te berekenen hoeveel dat moet kosten. Volgens de Amerikaan Allan Sheahen mogen we die vraag zelfs niet eens stellen: “When we ask: ‘What will it cost?’ we make a mistake. We should ask: ‘To what are we committed?’ In World War II, we didn’t say: ‘What will it cost to defeat Hitler?’ We went out and did what we had to do.” Wat door een schare van UBI aanhangers ter zake wordt voorgesteld is een waslijst van meestal even ontoereikende als fantasmagorische plannen die eindeloos tekort schieten. In 2000 heeft een topeconoom, zowat een laatste universeel genie, een puur rekenwonder, en de zesde Nobelprijswinnaar in de rij, Herbert A. Simon (1916-2001), een raming gemaakt hoeveel UBI de Amerikaanse overheid moet kosten. Hij hield het op een vlaktaks van 70 procent in de Verenigde Staten:


“I am in strong general agreement with Philippe Van Parijs’s argument for a UBI or ‘patrimony’ a portion of the product of a society that should be shared by all of those who inhabit that society. To establish such a patrimony is equivalent to recognizing shared ownership of a significant fraction of the resources, physical and intellectual, that enable the society to produce what it produces. As the essay makes a very strong case for the UBI and its feasibility, I will limit my comments to just two issues: (1) why a UBI (or patrimony) would be just; and (2) some problems of incentives that such a system poses and that need to be handled effectively. (…) On moral grounds, then, we could argue for a flat income tax of 90 percent to return that wealth to its real owners. In the United States, even a flat tax of 70 percent would support all governmental programs (about half the total tax) and allow payment, with the remainder, of a patrimony of about $8,000 per annum per inhabitant, or $25,000 for a family of three. This would generously leave with the original recipients of the income about three times what, according to my rough guess, they had earned.” “I am not so naive as to believe that my 70% tax [required to fund a UBI of $8,000 p.a. with a flat tax – PVP] is politically viable in the United States at present, but looking toward the future, it is none too soon to find answers to the arguments of those who think they have a solid moral right to retain all the wealth they earn.”


Van Parijs somt een aantal bezwaren tegen UBI op en probeert die, vaak op overtuigende manier, te ontzenuwen. Maar wat gedaan met de hardnekkige aversie van een meerderheid die niet wil meebetalen voor mensen die luiheid boven werken verkiezen? Hierover schrijft Van Parijs: “A third objection is moral rather than simply pragmatic. A UBI, it is often said, gives the undeserving poor something for nothing. According to one version of this objection, a UBI conflicts with the fundamental principle of reciprocity: the idea that people who receive benefits should respond in kind by making contributions. Precisely because it is unconditional, it assigns benefits even to those who make no social contribution – who spend their mornings bickering with their partner, surf off Malibu in the afternoon, and smoke pot all night. One might respond by simply asking: How many would actually choose this life? How many, compared to the countless people who spend most of their days doing socially useful but unpaid work? Everything we know suggests that nearly all people seek to make some contribution. And many of us believe that it would be positively awful to try to turn all socially useful contributions into waged employment. On this background, even the principle ‘To each according to her contribution’ justifies a modest UBI as part of its best feasible institutional implementation.


But a more fundamental reply is available. True, a UBI is undeserved good news for the idle surfer. But this good news is ethically indistinguishable from the undeserved luck that massively affects the present distribution of wealth, income, and leisure. Our race, gender, and citizenship, how educated and wealthy we are, how gifted in math and how fluent in English, how handsome and even how ambitious, are overwhelmingly a function of who our parents happened to be and of other equally arbitrary contingencies. Not even the most narcissistic self-made man could think that he fixed the parental dice in advance of entering this world. Such gifts of luck are unavoidable and, if they are fairly distributed, unobjectionable. A minimum condition for a fair distribution is that everyone should be guaranteed a modest share of these undeserved gifts. Nothing could achieve this more securely than a UBI. Such a moral argument will not be sufficient in reshaping the politically possible. But it may well prove crucial. Without needing to deny the importance of work and the role of personal responsibility, it will save us from being over-impressed by a fashionable political rhetoric that justifies bending the least advantaged more firmly under the yoke. It will make us even more confident about the rightness of a universal basic income than about the rightness of universal suffrage. It will make us even more comfortable about everyone being entitled to an income, even the lazy, than about everyone being entitled to a vote, even the incompetent.”


Gesteld dat ondanks de erg hoge kost, een vlaktaks van 70 procent, men dit system toch zou doorvoeren, dan creëer je op zijn minst een afgunstmaatschappij waarbij zij die niet werken voorwerp zullen zijn van “racistische woede”. Daarmee bedoel ik wat in onze welvaartmaatschappij vrijwel dagelijks wordt gehoord en er de eerste bron van racisme is: het feit dat vreemdelingen er toestromen, er woonst en inkomen krijgen zonder ooit een cent te hebben aanbetaald in het gastland dat hen opvangt. Zoiets – UBI – krijg je, voorlopig toch, bijzonder moeilijk verkocht. Ondanks een reeks voordelen blijft de modale burger er weigerachtig tegenover staan omdat in het UBI stelsel van de armste tot de rijkste maandelijks eenzelfde bedrag krijgt, ongeacht wie al dan niet werkt, ongeacht wie al dan niet legaal in het land verblijft.


De vraag of we straks een UBI-stelsel moeten invoeren is vooral voor Europa dwingend. Ondanks een (bescheiden) economische herneming blijft de werkloosheid er veel te hoog. Vooruitzichten dat de werkloosheidsgraad er snel zal dalen zijn een vorm van wishful thinking. Het vermoeden is gewettigd dat als de op zeepbellen drijvende structurele crisis in Europa aanhoudt, automatisering en robotisering ertoe zullen leiden dat het aantal arbeidsplaatsen niet langer gelijke tred zal kunnen houden met de groei van de beroepsbevolking. Een voor de hand liggende oplossing, het aantal arbeidsuren per tewerkgestelde terug te schroeven, zal nimmer aanvaard worden als dat met loonverlies gepaard gaat. Maar, zoals het McKinsey Global Institute rapport van mei 2013 aantoont, stelt het probleem zich ook in de Verenigde Staten. Hierover schreef Paul Krugman (°1953) – de zevende Nobelprijswinnaar die een gewaarborgd inkomen genegen is – in de New York Times:


“Even a quick scan of the report’s list suggests that some of the victims of disruption will be workers who are currently considered highly skilled, and who invested a lot of time and money in acquiring those skills. For example, the report suggests that we’re going to be seeing a lot of “automation of knowledge work,” with software doing things that used to require college graduates. Advanced robotics could further diminish employment in manufacturing, but it could also replace some medical professionals. (…) Education, then, is no longer the answer to rising inequality, if it ever was (which I doubt). So what is the answer? If the picture I’ve drawn is at all right, the only way we could have anything resembling a middle-class society — a society in which ordinary citizens have a reasonable assurance of maintaining a decent life as long as they work hard and play by the rules — would be by having a strong social safety net, one that guarantees not just health care but a minimum income, too. And with an ever-rising share of income going to capital rather than labor, that safety net would have to be paid for to an important extent via taxes on profits and/or investment income. I can already hear conservatives shouting about the evils of “redistribution.” But what, exactly, would they propose instead?”


Een stijgende werkloosheid zal het kapitalisme dwingen werk te maken van of een UBI-stelsel; of een systeem van negatieve inkomensbelasting (NIT). Voorlopig zal een NIT met een vlaktaks stelsel allicht volstaan om al wie door de robotisering uit de markt wordt gestoten, en al wie het opgeeft nog langer naar een job te zoeken, een gewaarborgd inkomen te bezorgen. Om dit te kunnen blijven bekostigen zal er zeker moeten worden bezuinigd, bijvoorbeeld op allerlei transferinkomens. Voorts zal een rijkentaks dan wel verplicht worden, bijvoorbeeld voor gezinnen die eigenaar zijn van meer dan één woning en a fortiori voor gezinnen die eigenaar zijn van een onroerend goed dat meer dan bijvoorbeeld een miljoen euro waard is. Daarmee kan niet gevlucht worden naar de fiscale paradijzen. Dus moet er werk worden gemaakt van een vastgoed eigendomsregister waarbij onafhankelijke experten de waarde van woningen schatten of herschatten.